zondag 15 oktober 2017

Diefstal in het Vogelschorre deel 5 - Het onderzoek 3

Het vorig deel sloten we af met onderzoeksrechter Ermerins, die op donderdag 27 juni, het rapport met alle getuigenverklaringen uit Brugge, ontvangt. Zijn collega Petrus Jacobus van Thente heeft zich bijzonder veel moeite getroost om zijn collega in Goes te helpen.


22 juni Goes - 25 en 26 juni Eksaarde

Ondertussen is Ermerins nog steeds op zoek naar de geheimzinnige Elegheer en zijn vriendin. De zoektocht naar hem in Bassevelde bleek een dood spoor te zijn. De onderzoeksrechter vermoedt wel dat ze ergens in de buurt van die gemeente kunnen wonen en zendt dan ook een ambtsbrief naar diverse andere gemeentebesturen met de vraag of er soms een Elegheer in de gemeente woont.

Op zaterdag 22 juni zendt Ermerins ook een brief naar het gemeentebestuur van Eksaarde. Die wordt daar op dinsdagnamiddag 25 juni bezorgd. De gemeente telt in 1822 ongeveer 3.500 inwoners. De meeste families zijn er bij naam gekend en het duurt dan ook niet lang eer men vaststelt dat het gaat om Livinus Elegheer, inwoner van Eksaarde. Het zal ook geen geheim zijn dat Lucia Olieux zijn vaste vriendin is. Om 17 uur worden ze beiden aangehouden. Dit komt voor hen waarschijnlijk als een complete verrassing. Het is bijna twee maand geleden sedert de diefstal in het Vogelschorre en ze hebben na hun afscheid op zaterdag 27 april geen contact meer gehad met de anderen die erbij waren.

Burgemeester Désiré Hubert de Nieulant (59), die in 1816 de titel van burggraaf heeft ontvangen, zendt op woensdag 26 juni een brief naar onderzoeksrechter Ermerins in Goes.Hij schrijft dat de beide verdachten werden aangehouden en overgebracht naar het huis van arrest in Lokeren, waar ze zullen opgesloten blijven tot onderzoeksrechter Ermerins een mandaat van arrest bezorgt aan de procureur des Konings in Dendermonde. De eerste die wordt aangehouden is Livinus Casimirus Elegheer.




De tweede is Lucia Olieux, 21 (ze is geboren in april 1803 en is dus nog maar 19), dochter van Francis en Sophia van Hecke, ook geboren en wonende in Eksaarde. Volgens ingewonnen informatie blijkt dat ze rond het vermelde tijdstip met Livinus Elegheer rondtrok in de Polders. 



Hubert de Nieulant vraagt verder aan Ermerins om de bevelhebber van het bataljon waarin Elegheer dienst doet, op de hoogte te brengen van zijn arrestatie en later ook van het vonnis. Zijn verlofpas ligt in het gemeentehuis van Eksaarde. Livinus is in het bezit van het certificaat H.H. artikel 177 van de militiewet.

Hieronder: Uit het militiewetboek 1817





Hierboven: Model van het attest H.H. Artikel 177 - Livinus Elegheer had dit attest bij zich in een blikken busje toen hij zich in april in de Vogelschorpolder bevond. Het is dit attest dat Lvinus laat lezen aan Louis Hebbelinck op zaterdag 27 april. Deze heeft zijn naam onthouden en het is hierdoor dat Livinus Elegheer en Lucia Olieux twee maand later worden aangehouden.

Hieronder: De gevangenis van Lokeren waarnaar Livinus en Lucia worden overgebracht bevondt zich in 1822 in de kelder van het stadhuis. Op de postkaarten hieronder van rond 1900-1910 zie je de deurtjes onderaan de trap, die toegang gaven tot de benedenverdieping en de cellen.





29 juni 1822 - Goes

Onderzoeksrechter Ermerins ontvangt de brief van burgemeester Désiré de Nieulant op zaterdag. Hij maakt nog dezelfde dag een mandaat van arrest op voor Livinus Elegheer en Lucia Olieux.




9 juli 1822 - Dendermonde

Jean Francois Van Bersel, deurwaarder in Dendermonde, bezorgt Livinus Elegheer en Lucia Olieux op dinsdag 9 juli, een afschrift van het arrestbevel op hun naam. Livinus en Lucia zijn dus ondertussen overgebracht van Lokeren naar het arrondissements-arresthuis in Dendermonde. Dat bevindt zich in het oude Karmelietenklooster dat de Fransen in 1797 hebben omgevormd tot 'Tempel der Rede'. Vanaf 1811 wordt het gerechtsgebouw er ondergebracht, en de kloostercellen doen vanaf dan dienst als gevangenis. Livinus en Lucia worden elk in één van deze cellen opgesloten.

Hieronder: De Tempel van de Rede in Dendermonde werd in 1822 deels verbouwd in neoklassieke stijl.



4 juli 1822 - Antwerpen 

Onderzoeksrechter Ermerins verzendt op vraag van de burgemeester van Eksaarde een brief naar de bevelhebber van het 4e bataljon veldartillerie in Anwterpen, met de mededeling dat Livinus Elegheer, die in zijn onderdeel dienst doet, werd aangehouden in Eksaarde en dat hij een mandaat van arrest op zijn naam heeft uitgeschreven. De luitenant-kolonel van het 4e bataljon veldartillerie (treincompagnie) zendt een bevestiging van ontvangst op 4 juli. Die komt aan in Goes op 9 juli.


       
Ermerins doet niet veel verder onderzoek in de maand juli. Het is afwachten tot Livinus Elegheer en Lucia Olieu zijn overgebracht van de gevangenis in Dendermonde naar Goes. 

25 juli 1822 - Goes    

Op donderdagmorgen 25 juli vindt Ermerins het tijd om Louis Hebbelinck opnieuw te ondervragen. Het eerste verhoor had twee maand daarvoor plaats op 20 mei. Hoewel hij op 10 mei zijn medewerking aan de diefstal heeft bekend aan vrederechter Paulus in Axel, heeft Hebbelinck 10 dagen later bij de ondervraging door onderzoeksrechter Ermerins alles ontkend. Ermerins legt hem nu opnieuw op de rooster. Hebbelinck ontkent opnieuw alle betrokkenheid. Ermerins zet het verhoor stop en laat Hebbelinck om 18 uur opnieuw voor hem verschijnen. Die verklaart nu dat Verburgh hem had opgestoken om bepaalde verklaringen te doen voor vrederechter Paulus. Ermerins blijft aandringen en Louis Hebbelinck geeft het uiteindelijk op en zegt:
"maar ik krijg nu berouw en zal dan maar zeggen hoe het gebeurd is"



Hij geeft daarna een compleet verslag van wat er gebeurd is op 27 april en de dagen erna, tot hij werd opgepakt in Zaamslag.
 

26 juli 1822 - Goes

Op vrijdag 26 juli zijn Livinus Casimirus Elegheer en Lucia Olieux aangekomen in Goes. Onderzoeksrechter Ermerins ondervraagt ze nog dezelfde dag. Hij verhoort eerst Elegheer. Die verklaart dat hij in het Vogelschorre aankwam met Lucia Olieu en een zekere 'Verlaere' (Bernard Vanlaere). Hij vertelt hoe hij met Lucia Olieux Eksaarde verliet om in het land van Cadzand werk te gaan zoeken.


Livinus Elegheer en Lucia Olieux woonden naast elkaar in de Recht(e)straat in Eksaarde. De straat startte in 1822 net als nu nog voorbij het bruggetje over de Zuidlede en was ongeveer 4 en een halve kilometer lang. De straat liep door de velden tot aan de Persijzerstraat in Zaffelare.

Hieronder: De Rechtstraat begon ter hoogte van R. De rode vlekjes links en rechts waren de vele arbeidershuisjes die langs weerskanten van de straat stonden.




Hieronder: Twee postkaarten van  het brugje over de Zuidlede en het begin van de Rechtstraat. Rond de eeuwwisseling van 1900 stonden er net als 80 jaar daarvoor nog heel wat kleine arbeidershuisjes in de straat.



Livinus Elegheer vertelt daarna wat er gebeurd is nadat hij samen met Lucia Olieux en Bernard Vanlaere toekwam in het Vogelschorre op vrijdag 26 april. Hij schuift een groot deel van de verantwoordelijkheid voor de diefstal af. Zo beweert hij dat hij het niet was die langsging op het hoevetje van Abraham Dees, maar wel Bernard Verlaere. De vrouw die er thuis was vertelde aan Veralere dat ze die namiddag nog moest gaan werken. Hij ontkent dat hij, toen ze met hun drieën bij de groep van Francis Verburgh kwamen, zou verteld hebben dat hij op vrijdag en zaterdag op een hoevetje was langsgeweest, waar hij in het schuurtje was binnengeweest en waarin twee koffers stonden. Ook dat hij er hemden had gezien, waarvan hij er wel een aantal had willen meepakken. Hij kan zich ook niet herinneren waarover hij sprak met Verburgh, toen ze samen op de dijk zaten. Hij weet wel nog dat ze samen overeenkwamen om naar een arbeidershoeverje te gaan, en te kijken of ze daar wat konden meenemen.

Hij doet daarna het relaas van de diefstal en verklaart dat Francis Verburgh op een bepaald moment zei dat hij niet bang was van die vrouw die nog thuis was, dat je die gemakkelijk kon vastbinden, en ondertussen van alles meenemen. Daarop zei hijzelf dat ze dat beter niet deden en toen voorstelde om iemand naar de vrouw te laten gaan met wat aardappelen, om te vragen die daar te mogen koken. Die kon hen daarna roepen om ze samen op te eten, en dan zouden ze wel gelegenheid hebben om het één en ander te stelen.De rest van zijn verhaal komt overeen met wat de anderen hebben verklaard. Hij bracht zijn vriendin Lucia Olieux pas op de hoogte van de diefstal toen ze het schorre over waren en het gestolen goed onder elkaar verdeelden. Hij verliet daarna samen met Lucia en Bernard Vanlaere de anderen en sloeg de weg in naar Eksaarde. Hij had wel beloofd om hen 's anderendaags opnieuw op te zoeken op de hoeve waar ze zouden slapen, maar deed dat uiteindelijk niet. Ze kwamen 's avonds aan in Zelzate, waar ze in een schuur sliepen. De dag erna verliet Vanlaere hen en keerde hij met Lucia Olieux terug naar Eksaarde, waar ze s'avonds aankwamen. Op dinsdag 30 april ging hij met Lucia naar Lochristi, waar hij zijn deel van het gestolen goed verkocht aan een winkelier. Hij kreeg er één Franse kroon voor. Daarna deed hij met Lucia Olieux het geld op aan eten en drank.

Na dit verhoor is het de beurt aan Lucia Olieux. 



Waarschijnlijk kende ze haar exacte geboortedatum niet. Ze verklaart aan Ermerins dat ze 21 is. Volgens de akte van de BS in Eksaarde is ze geboren op 20 april 1803. Ze is dus drie maand voordien pas 19 geworden. Het bewijst nog eens dat veel mensen in die periode niet wisten wanneer ze geboren waren. Ook in bevolkingsregisters van de 19e eeuw, waar de geboortedatum van de personen werden ingeschreven zoals zij die opgaven, treffen we heel vaak verkeerde data aan.

Het verhoor van Lucia Olieux (transcriptie)


Hieronder: Lucia Olieu verklaart dat ze spijt heeft.



De verklaringen van Elegheer en Lucia Olieux spreken elkaar op enkele punten tegen. We mogen aannemen dat Lucia, die ook haar spijt uitdrukt, diegene is die meest waarheidsgetrouw vertelt wat er gebeurd is. Elegheer probeert voor een groot deel de verantwoordelijkheid voor de diefstal af te schuiven op Verburgh.

Ermerins is ondertussen bijna drie maand bezig met het onderzoek naar de diefstal in het Vogelschorre. Hij gaat niet verder op zoek gaan naar de persoon die de gestolen goederen van Elegheer heeft aangekocht. Volgens Elegheer is dat een winkelier in Lochristi en volgens Lucia Olieux een leurder met sulfers, die ze onderweg naar huis in Wachtebeke tegenkwamen. Hij gaat ook niet verder in op de tegenstrijdigheden in de verklaringen van Livinus en Lucia.

27  juli 1827 - Goes

Een dag na de verhoren van Elegheer en Lucia Olieux laat onderzoeksrechter Ermerins op zaterdag 27 juli, Constantia Depré opnieuw naar zijn kabinet komen. Hij heeft haar een eerste keer verhoord op 22 mei. Ze heeft dan beweerd dat ze nooit op de hoogte is geweest van de diefstal. Ermerins wil haar nu opnieuw ondervragen. Hij vraagt of ze, nu de meeste van haar medeplichtigen al bekend hebben, nog langer van plan is te liegen over wat er gebeurd is. Ze antwoordt dat ze er spijt van heeft en nu alles zal vertellen. Ze geeft daarna een uitgebreide verklaring over de diefstal en de verdere gebeurtenissen.


   
Op 27 juli is er nog altijd één verdachte die niet werd opgepakt. Ermerins heeft op 3 juni een mandaat van arrest opgemaakt op naam van Theresia Samay, maar ze werd nog altijd niet gevonden en gearresteerd. Hij maakt op 27 juli een nieuw mandaat van arrest op haar naam op. Het is ondertussen bekend dat ze gezien is in de Bakkerspolder (Bakkersdam) bij Oostburg. Ze is er gekend in de herberg die daar staat. Ze zwerft verder ook rond in de kantons van IJzendijke, Sluis en Axel.


5 augustus 1822 - Waterlandkerkje

Hieronder: Op maandag 5 augustus houdt Servaas de le Lijs, veldwachter in Oostburg, Theresia Samay aan in het nabijgelegen Waterlandkerkje





9-10 augustus 1822 - Goes

Theresia Samay wordt nu als laatste van de 9 overgebracht naar Goes en komt daar op vrijdag 9 augustus toe. Onderzoeksrechter Ermerins wordt op de hoogte gebracht dat ze ter zijne beschikking staat.



Hieronder: Ermerins verhoort Theresia Samay op zaterdag 10 augustus.



Theresia Samay is een paar jaar ouder dan de andere vrouwen die er op 27 april bij waren in het Vogelschorre en ze laat niet gemakkelijk onder druk zetten. Ze geeft toe dat ze bij de anderen was op zaterdag 27 april, maar dat ze nooit geweten heeft dat er een diefstal werd gepleegd. Ze heeft geen van de mannen horen vertellen over de diefstal of over wat ze ontvreemd hadden. Ze verklaart ook dat ze niet wist dat de honing die haar vriend Quicke aanbood gestolen was, en dat ze er zelf niet van gegeten heeft omdat het voor haar te zoet was. Op de verklaring van de onderzoeksrechter dat haar vrienden verklaard hebben dat zij er ook van at, antwoordt ze dat die liegen.



Hierboven: Uit het verhoor van Theresia Samay (na 'het is toch niet' volgt op de achterkant van het document het woordje 'waar').

Onderzoeksrechter Ermerins maakt op dezelfde dag nog een mandaat van bewaring op, op naam van Theresia Samay. Deurwaarder Alexander Courlois bezorgt haar om 22 uur een afschrift van het mandaat.



19-20 augustus 1822

Op maandag 19 augustus verhoort onderzoeksrechter Ermerins Theresia Samay opnieuw. Bij dit verhoor wordt ze geconfronteerd met Francis Verburgh, Louis Hebbelinck, Louis Quicke en Constantia Depré.



Theresia Samay blijft ondanks deze confrontatie met de 4 anderen volhouden dat ze niets afwist van de diefstal. Zo verklaart ze dat Francis Verburgh haar vertelde dat hij het goed dat ze later verkochten in Brugge van iemand had gekregen om het te verkopen. Verburgh zelf en de andere drie ontkennen dit,  maar ze blijft koppig volhouden. Ze geeft toe dat ze met Verburgh goederen verkocht in Brugge, maar niet wist dat die gestolen waren. Ondanks aandringen van Ermerins kraakt ze niet. Ze bevestigt dat ze op maandag 29 april samen met Verburgh en Hebbelinck, Brugge weer verliet en in de nacht van 30 april op 30 mei ruzie kreeg met Verburgh en daarna alleen verder trok.



Ermerins rondt hiermee het onderzoek af en verzendt op dinsdag 20 augustus de resultaten van zijn onderzoek naar het Openbaar Ministerie


Deel 6: voor de rechtbank.

donderdag 5 oktober 2017

Diefstal in het Vogelschorre deel 4 - Het onderzoek 2


Na ontvangst van het rapport van commissaris Ludovicus Charlier op 31 mei weet onderzoeksrechter Ermerins dat Louis Quicke veilig opgesloten zit in het bedelaarshuis van Brugge. Het is nu alleen nog een kwestie van hem over te brengen naar Goes. Hij is nu nog op zoek naar drie verdachten. Theresia Samay uit Brugge, die rondzwerft in het land van Cadzand, een zekere Elegheer en zijn vriendin. Hij heeft nog altijd de naam niet van Lucia Olieux. De andere verdachten hebben bovendien verklaard dat het om een 'Theresia' gaat.

3 juni 1822 - Arrestatiebevelen voor Petrus Elgeheer en Theresia Samay

Op maandag 3 juni maakt Ermerins een mandaat van arrest op, op naam van "Petrus Ellegeert". Hij zit echter deels op het verkeerde spoor. Louis Hebbelinck heeft in het verhoor van 20 mei verklaard dat Petrus Elegeert geboren werd in Zelzate, maar dat de gerechtsdienaar van Terneuzen hem ondertussen verteld had dat Elegeert van Bassevelde was.


Hieronder: Het mandaat van arrest op naam van Petrus Ellegeert



De 65 jarige deurwaarder Pieter Vogelesang, gaat op donderdag 6 juni 1822 naar Bassevelde, om er te proberen Petrus Ellegeert te arresteren, maar hij vindt er geen spoor van hem noch van zijn woning. Dat is natuurlijk ook niet mogelijk want Petrus Elegheer is geboren en woont in Eksaarde. Pieter gaat daarna naar het gemeentehuis waar bevestigd wordt dat er geen Petrus Ellegeert in de gemeente woont. Dit wordt gecertificeerd door burgemeester Macarius Peers en ondertekend door Ange Audenaerde, beambte van de Burgerlijke Stand in Bassevelde.

Hieronder: Mandaat van arrest op naam van Theresia Samay of Samaay. Benoit Vanhoutte , deurwaarder in Brugge, gaat op dinsdag 25 juni langs in het Schrijversstraatje 3. Hij spreekt er met de 55-jarige weduwe Anna Dousselaere, die sedert oktober 1820 met haat vijf dochters ook in het Schrijversstraatje 3 woont. Zij kan alleen maar vertellen dat Theresia Samay vertrokken is en dat ze niet weet waar ze nu verblijft. Daarna gaat Benoit Vanhoutte over tot huiszoeking. Hij doet dat in tegenwoordigheid van Jan Carette en Francis Vandevelde, die daarna beiden bevestigen dat Theresia er niet werd aangetroffen.



Onderzoeksrechter Ermerins heeft nog geen antwoord ontvangen van vrederechter Paulus in Axel, op zijn vraag van 27 mei om Abraham Dees, zijn vrouw en landsman Pieter de Bock te verhoren. Op 3 juni zendt hij een nieuw verzoek naar de vrederechter om ook Jacobus Heygelaar en Francis Braal uit Sas van Gent onder ede te verhoren, om meer informatie te krijgen over hun ontmoeting op de zeedijk van Sas van Gent naar Philippine op zaterdagnamiddag 27 april, met Constantia Depré die ze beiden kennen en de andere verdachten. Hij voegt weer een lijst met specifieke vragen mee, die de vrederechter hen moet stellen.


Een aantal van de vragen die vrederechter aan de twee getuigen moet stellen

Onderzoeksrechter Ermerins zit na het weekend blijkbaar vol energie, want hij verhoort die dag ook nog opnieuw Francis Verburgh, die hij als eerste heeft verhoord op 16 mei. Hij is  nog altijd maar 2 maanden gehuwd en zijn vrouw Adriana van Citters is in verwachting van hun eerste kind. Het is een zoon die zal geboren worden op 30 januari 1823. Hij zal daarna nog 9 kinderen krijgen. Zijn oudste zoon Francois zal ontvanger der directe belastingen worden in Kloosterburen, Borsselen en Heinekenszand en wordt daarna wethouder in Middelburg. Er kon nog geen foto gemaakt worden van onderzoeksrechter Ermerins die in 1838 overleed, maar dat kon wel van zijn zoon Francois die op 13 augustus 1889 overleed in Middelburg. (hiernaast).

Verburgh heeft alles bekend en werkt goed mee, en kan Ermerins nog wat meer details bezorgen. Hij begint met te vragen hoe Francis, Pieternella Munster heeft leren kennen. Die heeft bij haar verhoor verklaard dat ze Francis voor de eerste keer ontmoette in 1820 toen hij met Adriaan Moelaert, de halfbroer van haar moeder, meekwam op bezoek in Sluis. Hij kende Adriaan van in ' de dienst'. Francis ontkent dit echter en vertelt dat hij Pieternella een eerste keer zag een jaar geleden toen ze niet ver van Sluis bezig was zeesalade te snijden.

Ermerins wil daarna meer te weten komen over de ontmoeting met Elegheer, en over de omstandigheden van de diefstal. Bij zijn verhoor door vrederechter Paulus heeft Louis Hebbelinck ook verklaard dat ze zes frank van de opbrengst aan Jacobus Beeckman gaven als zwijggeld. Francis Verburgh bevestigt dat ze hem dat inderdaad beloofden, maar dat ze hem nadien geen geld gaven omdat ze al hun geld verdronken hadden. 

4 juni 1822 

Op dinsdag 4 juni zendt onderzoeksrechter Ermerins een ambtsbrief naar zijn collega in de Rechtbank van Eerste Aanleg in Brugge,  Pieter Jacob Van Thente. Die is met zijn 69 jaar heel wat ouder dan Ermerins. Ermerins vraagt aan Pieter Jacob om de volgende personen onder ede te verhoren:

- De weduwe Keuninck, oude kleerkoopster, wonende bij het kerkhof van de Sint-Gilliskerk 7.
- Franciscus Van Hauwe, oud ijzer- en oude klerenkoper, in de Sterrestraat 3.
- De vrouw en de dienstmeid van Van Hauwe, op hetzelfde adres.
- Maria Allaert, vrouw van Pieter Naert, zilversmid in de Steenstraat 148.

en om zonder eedaflegging te verhoren, omdat zij de moeder is van Ludovicus Quicke, één van de verdachten:

- Carolina Jacobs, die op een bovenkamer in de Korte Baliestraat dicht bij de Sint-Gilliskerk zou wonen.

Hij voegt bij iedere te ondervragen persoon een lijst met vragen bij, die Pieter Jacob Van Thente hen moet stellen.




Voor hij zijn verzoek ondertekent laat Ermerins de onderzoeksrechter weten dat hij altijd tot wederdienst bereid is indien die iets zou moeten onderzoeken in zijn arrodissement Goes.



Pieter Jacob van Thente is in juni 1822 ook nog bezig met het onderzoek van de moord op Catharina van Hee in de nacht van 26 op 27 oktober 1821 in Oudenburg. Verdachte is de 19 jarige boerenknecht Albertus Lust. Hij is op de vlucht en nog niet gevat.

Hieronder: Het mandaat van arrest opgemaakt door Pieter Jacob van Thente wordt in de Gazette van Brugge gepubliceerd.



De moordenaar 'Bartholomeus Lust' wordt door het Hof van Assisen bij verstek veroordeeld tot de doodstraf. In 1826 wordt hij opgepakt in Frankrijk en verschijnt opnieuw voor het Hof van Assisen dat de straf omzet in levenslange dwangarbeid.



Pieter Jacob van Thente maakt het niet meer mee. Hij overlijdt op 10 augustus 1824 in Brugge. Dat onderzoeksrechters zoals Ermerins en Van Thente tot de middenklasse behoorden en goed hun boterham verdienden blijkt uit de opsomming van de nalatenschap van Pieter Jacob.

Uit de Gazette van Brugge van 30 augustus 1824




10 juni 1822: Tweede verhoor van Jacobus Beeckman

Onderzoeksrechter Ermerins laat de zaak daarna een week rusten. Op maandag 10 juni ondervraagt hij Jacobus Beeckman voor de tweede keer. Ermerins stelt lange vragen aan Beeckman en gebruikt in zijn vragen zinsnedes zoals:

- je hebt mij bij het vorig verhoor nu en dan willen wijsmaken...
- moet je niet bekennen dat...
- hoe kun je nu zeggen...
- hoe durf je dat ontkennen..
- durft gij na dit alles nu nog beweren...

Beeckman blijft onderstoorbaar veel korte antwoorden geven:
- Daar weet ik niets van...
- Daar heb ik niets van gehoord...
- Nee, dat hebben ze me niet verteld...
- Ik heb het toch niet gehoord...
- Ik heb daar niets van geweten...
- Ik weet daar niets van, ik heb van geen discussie over geld gehoord
- Ik weet dat niet...
- Ik weet van dat alles niet af...
- Ik wist toen nog nergens van...
- Ik heb er niets van gezien of gehoord...

Hieronder: Ermerins confronteert Beeckman met het feit dat hij aan de anderen gevraagd had waarom ze zo vlug wegliepen uit het Vogelschorre en dat Pieternella Munster had verklaard dat Francis Verburgh op luide toon vertelde over de diefstal die hij met de anderen had gepleegd, zodat iedereen in het gezelschap het kon horen. Hoe kan Beeckman dan verklaren dat hij dat onderweg niet heeft horen vertellen. Beeckman antwoordt daarop koppig ' Ik heb het toch niet gehoord '.


Ermerins moet tenslotte het verhoor stopzetten zonder dat Beeckman ook maar iets heeft toegegeven.

1 juni - 8 juni - 10 juni 1822 - Louis Quicke

Op 1 juni geeft Felix Amandus de Muelenaere, Procureur des Konings in Brugge, bevel aan de commandant van de Koninklijke Maréchaussée om Louis Quicke over te brengen vanuit het bedelaarshuis in Brugge naar Sluis en van daar naar Axel, om er voor de vrederechter te verschijnen.



Hieronder: Bevel van 8 juni 1822 aan de Koninklijke Marchaussée om Louis Quicke vanuit het bedelaarshuis over te brengen naar Axel, om daar voor de vrederechter te verschijnen.



Hieronder: bevel van vrederechter Paulus in Axel aan gerechtsdienaar Jolijt om Louis Quicke vanuit het huis van Depot in Axel, te begeleiden tot Terneuzen, waar hij hem moet overdragen aan gerechtsdienaar Looye die hem vanaf daar moet overbrengen naar het huis van arrest in Goes. Vanuit Terneuzen steken ze met een veer de Westerschelde over tot Hoedekenskerke, en vandaar gaat het naar Goes.


15 juni 1822 - Verhoor van Louis Quicke in Goes

Hieronder: Bartholomeus Hubertus Janssen, de officier van justitie in Goes, zendt op zaterdag 15 juni een nota naar onderzoeksrechter Ermerins. Hij laat weten dat Louis Quicke is overgebracht en nu ter zijner beschikking staat. 


Ermerins laat er geen gras over groeien en ondervraagt Louis Quicke nog dezelfde dag. Louis werkt volledig mee en bekent de diefstal. De onderzoeksrechter moet maar vijftien vragen stellen. Bij de veertiende vraagt hij aan Quicke hoe ze Elegheer ontmoet hebben op zaterdag 27 april. Daarna vraagt hij wat er toen verder is gebeurd. Louis vertelt daarop uitgebreid alles wat er voorgevallen is vanaf de ontmoeting met Livinus Elegheer en zijn vriendin, tot hij in Brugge weer werd opgepakt en terug opgesloten in het bedelaarshuis. 

Louis heeft sedert Verburgh, Hebbelinck en Samay uit Brugge vertrokken op maandag 29 april geen contact meer gehad met hen of met de anderen die bij de diefstal betrokken waren. Hij vertelt dat Elegheer toen hij bij hen kwam eerst wat afgezonderd met Francis Verburgh praatte. De twee kwamen daarna terug bij Hebbelinck en hemzelf, waarop Elegheer vertelde dat hij op vrijdag langs was geweest op een hoevetje waar niemand thuis was en waar hij in het schuurtje twee koffers had zien staan en een aantal hemden op de bleek zien liggen. Hij was er op zaterdagochtend opnieuw voorbijgekomen en had er zijn pijp opgestopt. De vrouw was alleen thuis en aan het strijken, maar hij had niets meegenomen omdat Bernard Van Laere bij hem was, en hij bang was dat die hem zou verraden. Hij dacht dat er heel wat in de twee koffers moest zitten en stelde de drie mannen voor om er naar toe te gaan en te pakken wat ze in handen konden krijgen, waarmee Louis en zijn twee vrienden akkoord waren.



Louis Quicke bevestigt hiermee wat de Francis Verburgh en Louis Hebbelinck ook verklaard hebben. Het idee om de koffers in het schuurtje van Abraham Dees open te breken kwam van Elegheer. Ze zijn wel met zijn drieën onmiddellijk op zijn voorstel ingegaan. 

Hieronder: Ermerins maakt daarna een mandaat van arrest op, waarvan deurwaarder Joseph Jongens s' avonds een afschrift bezorgt aan Louis Quicke in de gevangenistoren.



20 juni 1822 - rapport vrederechter Paulus aan onderzoeksrechter Ermerins

Op donderdag 20 juni zendt vrederechter Adrianus Paulus vanuit Axel een rapport naar onderzoeksrechter Ermerins, met de verhoren van de getuigen die hij in opdracht van Ermerins heeft gedagvaard en ondervraagd. (zie 27 mei en 3 juni).

Het gaat om:
- Abraham Dees in het Vogelschorre, bij wie de diefstal werd gepleegd.
- Elisabeth van der Hooft, zijn vrouw.
- Pieter de Bock, kastelein op een boerderij in het Vogelschorre.
- Pieter Versets en zijn vrouw, landslieden in het gehucht De Maagd van Gent.
- Jacobus Heygelaer, schipper en wonende in Sas van Gent.
- Francis Bra(a)l, visser en ook inwoner van Sas van Gent.

Adrianus Paulus geeft eerst opdracht aan deurwaarder Abraham Raymond om deze 6 personen te dagvaarden. Die gaat op 6 juni op zoek naar de 6 personen om de dagvaardingen af te geven. De dagvaardingen van Abraham Dees en Elisabeth van der Hooft geeft hij af in het Vogelschorre aan Elisabeth. Ook aan Pieter de Bock kan hij persoonlijk de dagvaarding bezorgen. In Sas van Gent kan hij ook in persoon de dagvaardingen afgeven aan Jacobus Heygelaer en Francis Bral. Hij kan echter nergens een Pieter Versets en zijn vrouw vinden in de omgeving van de Maagd van Gent. Niemand schijnt hen daar ook te kennen.



Ook ikzelf heb geen enkel spoor kunnen vinden van een Pieter Versets in Assenede. Zijn naam wordt nochtans een aantal keer genoemd in verklaringen van de verdachten. Ook rekening houdende met andere schrijfwijzes van zijn achternaam is hij niet terug te vinden.

Hieronder: De gedagvaarden moeten zich allemaal aanbieden in het stadhuis van Axel, om daar op maandagvoormiddag 10 juni te verschijnen voor vrederechter Paulus. Indien ze niet ingaan op de dagvaarding zullen zij volgens de wet gestraft worden.




10 juni 1822 - Vredegerecht Axel in het gemeentehuis.

Het is voor de getuigen vanuit het Vogelschorre en Sas van Gent, een 10 tot 12 km te voet tot aan het gemeentehuis van Axel, dat zich dan bevindt aan de Gendsche Vaartstraat. Alle opgeroepen getuigen zijn op maandagvoormiddag aanwezig in Axel, behalve Elisabeth van der Hooft, de vrouw van Abraham Dees. Die is niet in staat een verklaring af te leggen.

Abraham Dees wordt als eerste verhoord. Hij verklaart opnieuw dat de daders een gat hebben gemaakt in de achterkant van het schuurtje en zo binnenkwamen. Verder vertelt hij dat zijn dochter Geertrui de diefstal als eerste ontdekte en hem toen op de hoogte kwam brengen. Een zekere Livinus Hesseling die kastelein is op de hofstede van Colpaert in de Nieuw Vogelschorpolder aan de andere kant van de dijk in het Vogelschor zou die zaterdagnamiddag toen de diefstal werd gepleegd, twee personen zien staan hebben bovenop de dijk. Hij heeft ook een lijst mee van alles wat werd gestolen en schat de waarde van het ontvreemde op 72,25 gulden. Hij weet ook nog dat de verdachten op alle hofsteden in het Vogelschorre gebedeld hebben. Onder andere bij Pieter de Bock op de hoeve van Charles Ferdinand Manilius, bij een andere Pieter de Bock op de hofstede van Joannes Gheldolf en bij Dominicus Demoor op de hoeve van Van Waesberghe-Boeye. Hij heeft ondertussen ook van verscheidene mensen gehoord dat de bende bedelaars erg brutaal waren en lange messen bij zich hadden. Caspar Retterich die in Sluiskil woont zou dat gezien hebben.

Pieter de Bock (37, geboren in Westdorpe en gehuwd met Anna Catharina van Pottelberghe, die de hoeve van Charles Ferdinand Manilius uit Gent uitbaat is als tweede aan de beurt. Hij kan bevestigen dat op vrijdag 26 april rond 19 uur zeven bedelaars en bedelaressen op de hoeve kwamen. Hij kende er geen één van. Ze vroegen hem of ze mochten overnachten in de schuur, wat hij toestond. Ze kookten eerst wat aardappelen die ze zelf bijhadden in de arbeiderskeet, waarna ze gingen slapen, onder bewaking van iemand die hij daarvoor had opgesteld. Ze waren niet brutaal of gewelddadig. Ze vertrokken de morgen erna nadat de vrouwen eerst wat kleren hadden gewassen.

Josephus Bral uit Sas van Gent en visser, verklaart dat hij samen met Jacobus Heygelaer een bende van ongeveer negen personen ontmoette op zaterdagnamiddag 27 april, op de zeedijk tussen Sas van  Gent en Philippine. Er waren 4 vrouwen bij en hij herkende onmiddellijk Constantia Depré die een paar jaar daarvoor bij een schaarslijper in Sas van Gent woonde. Verder was ook er ook een zekere Naard of Bernard bij die als koewachter had gewerkt in Sas van Gent. Hij zag ook hoe ze zenuwachtig waren, vooral toen ze twee mannen te paard zagen naderen, en waarvan ze waarschijnlijk dachten dat het maréchaussées waren. Daarna wordt Louis Quicke, die van het bedelaarshuis in Brugge naar het huis van depot in Axel werd overgebracht en daar op maandag 10 juni pas is opgesloten, geconronteerd met Josephus Bral. Die bevestigt dar Louis deel uitmaakte van de bende die hij ontmoette. Hij was bij die ontmoeting echter gekleed in het grijze plunje van het bedelaarshuis. Ook Quicke geeft toe dat hij erbij was.

Jacobus Heygelaer (38) schipper en ook uit Sas van Gent bevestigt wat zijn vriend Francis Bral heeft verteld. Hij wordt ook geconfronteerd met Quicke en identificeert hem ook als één van de bende die ze ontmoetten op 27 april.




11 juni 1822 - Axel

Na de afgelegde verklaringen maakt  vrederechter Paulus een aanvullende lijst  van personen, die in de verhoren van de 4 getuigen werden vermeld, en moeten gedagvaard worden om voor hem te verschijnen. Het gaat om:

- Geertrui Dees , dochter van Abraham.
- Pieter de Bock, kastelein op de hoeve van Gheldolf.
- Dominicus Demoor, landbouwer-pachter op de hofstede van Van Waesberghe-Boeye.
- Caspar Retterich, arbeider in Sluiskil in Terneuzen.
- Livinus Hesseling, kastelein op de hoeve van Colpaert in de Nieuw Vogelschorpolder.

Ze moeten zich alle vijf op donderdag 20 juni om 9 uur in de voormiddag aanbieden in het stadhuis van Axel. Deurwaarder Abraham Raymond zoekt de vijf op om hun de dgavaarding te bezorgen.

20 juni 1822 - Stadhuis van Axel

De vijf zijn op donderdag 20 juni allemaal present in het stadhuis van Axel. De eerste verklaring komt van Geertrui Dees, de dochter van Abraham. Die zal bijzonder belangrijk blijken voor de 9 verdachten. Ze vertelt dat ze op de ochtend van zaterdag 27 april al om 7 uur bezig was met onkruid te wieden bij Pieter de Bock op de hoeve van Manilius. Ze zag daar toen de bende bedelaars en herkende Constantia Depré, die al meerdere keren daarvoor in het Vogelschorre was gepasseerd. Ze was met de andere vrouwen bezig wat kleren te wassen. Eén van de mannen sloeg nog wat gekke praat uit tegen haar (Geertrui). Ze vertrokken rond 10 uur van de hoeve. Rond 16.30 zat haar werk erop en ging ze naar huis. Ze ontdekte de diefstal toen ze naar het schuurtje om hout ging. De deur stond open. Ze merkte in het schuurtje dat er aan de achterkant een opening was gemaakt in het riet, waardoor de inbrekers in het schuurtje konden komen.

Ze voegt er echter aan toe dat ze niet kan bevestigen dat de deur van het schuurtje wel degelijk op slot was toen haar moeder als laatste vertrok. Haat moeder Elisabeth van der Hooft is namelijk 'zeer los & zwak van hersenen' en niet in staat met zekerheid te bevestigen dat de deur op slot was.



Geertrui verklaart hier dus dat het heel goed mogelijk is dat haar moeder kan vergeten hebben de schuur af te sluiten, wat overeenkomt met de verklaringen van Elgheer, Verburgh, Quicke en Hebbelinck. Dar dir een belangrijke verklaring is blijkt uit het feit dat die later werd onderlijnd.

Pieter Johannes de Bock, kastelein op de hoeve van Gheldolf, verklaart dat hij op zaterdagnamiddag 27 april rond 15 uur, twee mannen en een vrouw, die hij niet kende heeft zien lopen over de weide van de hofstede. De vrouw droeg iets in haar schort, maar hij kon niet onderscheiden wat dat was omdat ze te ver van elkaar verwijderd waren. Zijn meid had de dag ervoor verteld dat er enkele bedelaars waren langsgeweest, aan wie ze een boterham gaf. Ze uitten geen dreigementen en waren niet brutaal.

Dominicus Demoor (24) landbouwer, verklaart dat er volgens zijn vrouw op vrijdagavond 26 april, drie bedelaars op de hofstede kwamn, waaronder één vrouw, die vroegen om te mogen overnachten. Ze stond dit toe en het drietal vertrok de morgen erna. Ze waren niet brutaal.

Caspar Retterich (37) uit Sluiskil, vertelt dat hij op zaterdag 27 april rond de middag onderweg was naar Westdorpe om wat inkopen te doen en toen beneden aan de dijk bij het Papeschorre, een zevental bedelaars en bedelaressen tegenkwam. Eén van hen schudde een zak leeg. Er vielen een drietal messen uit en hij dacht dat ze daar halt hielden om wat te eten. Toen hij merkte hoe sterk de mannen eruit zagen werd hij bang en zette het op een lopen.

Livinus Hesseling (50) kastelein op de hoeve van Colpaert in de Nieuwe Vogelschorpolder aan de andere kant van de dijk aan het Vogelschor, kan alleen maar vertellen dat op een dag een lange man bij hem op de hoeve langskwam en vroeg om er wat aardappelen te mogen koken, wat hij echter weigerde, en dat hij verder niets meer afweet van de diefstal bij Abraham Dees, dan wat hij weet van horen zeggen.


24 juni 1822: Brugge - 27 juni 1822: Goes

Op maandag 24 juni 1822 heeft Petrus Jacobus van Thente, onderzoeksrechter in Brugge, 20 dagen na het verzoek van zijn collega Ermerins in Goes om een aantal getuigen in Brugge te verhoren, zijn onderzoek afgerond. Hij heeft alle getuigen gedagvaard, onder ede verhoord en alle vragen gesteld die Ermerins in zijn brief had toegevoegd. 

Hieronder: begeleidende brief, persoonlijk geschreven door onderzoeksrechter van Thente voor zijn collega in Goes.


Van Thente laat op donderdag 13 juni twee dagvaardingen opmaken, de eerste voor de weduwe Keuninck en Francis Van Hauwe, om op zaterdag 15 juni voor hem te verschijnen en de tweede voor Maria Allaert en de moeder van Louis Quicke.

Hieronder: De dagvaarding voor de weduwe Keuninck en de moeder van Louis Quicke. De dagvaardingen worden door deurwaarder Benoit Vanhoutte aan de vrouwen afgegeven.




Hieronder: Het kabinet van de onderzoeksrechter bevindt zich in 1822 het Landhuis van het Brugse Vrije, dat sedert 1795 dienst doet als het Brugse gerechtsgebouw. Afbeeldingen van het Justitiepaleis op de Burg rond 1900-1910. Het gebouw rechts dateert van 1537 en was de Griffie van het Brugse Vrije. Het Brugse stadsarchief bevindt er zich nu.




15 juni 1822 - Kabinet van onderzoeksrechter van Thente.

De eerste getuige die op zaterdag 15 juni wordt gehoord is de weduwe van Joseph De Keuninck. Ze verklaart dat haar naam Pieternelle Seghers is. Ze is 67 en oude kleren verkoopster. Ze herinnert zich goed dat op maandag 29 april tussen 6 en 6.30 's morgens een man en een vrouw langskwamen, die een stuk blauw laken en een zwarte, fluwelen, korte broek wilden verkopen. Ze nam de maat van het laken maar door de lage prijs die ze vroegen kreeg ze een vermoeden dat het wel wel eens om gestolen goederen zou kunnen gaan en weigerde dan ook ze aan te kopen. De man stelde nog voor dat ze hun namen zouden opgeven maar ze hield vol dat ze niet geïnteresseerd was. De vrouw kwam later in de voormiddag nog eens terug met de vrouw van Francis  Van Hauwe. Er volgde een discussie over de afmeting van het stuk laken, waarna de twee haar woning verlieten.

Het is daarna de beurt aan Francis Vandenhauwe (ipv van Van Hauwe, zoals hij in de dagvaarding wordt vermeld). Hij is 30 en oud ijzer- en kleren verkoper in Brugge. Hij bevestigt dat er op maandagmorgen 29 april rond 7.30 een man en een vrouw langskwamen. Zijn meid Maria Spanier liet hen binnen in de slaapkamer, waar hij en zijn vrouw nog in bed lagen. Hij herkende de vrouw als Theresia Samay. Ze hadden een stuk laken en een korte, pane broek bij, die ze wilden verkopen voor een boerenknecht op een hofstede waar ze gewerkt hadden. Het stuk laken was volgens Theresia Samay 4 el. Ze kochten het na enige discussie aan voor 20 frank en betaalden daarna iets van 2 en een halve frank voor de pane broek, die hij kort daarna op de markt verkocht voor drie frank. De man verkocht daarna een grijze, wollen kazak zonder mouwen voor anderhalve frank en kocht daarop zelf een lange, linnen broek voor zestien en een halve stuivers. Hij trok die onmiddellijk aan en liet de broek die hij aanhad achter voor 3 oortjes. Niet lang na hun vertrek merkten ze dat het stuk laken aanzienlijk korter was dan 4 el. Hij liet daarna twee kinderbroekjes maken van het stuk en verkocht ze op de markt voor 10 frank per stuk.


17 juni 1822 - Kabinet van onderzoeksrechter van Thente.

Maria Allaert (50), de vrouw van zilversmid Pieter Naert, legt als eerste een verklaring onder ede af op maandagmorgen 17 juni. Ze herinnert zich heel goed dat op maandagvoormiddag 29 april tussen 8 en 9 uur, een man en een vrouw, die ze nooit eerder had gezien langskwamen. De vrouw wilde twee zilveren broekstukken, zoals de Blankenbergse schppers dragen, verkopen. Ze deed dat in opdracht van een boerenknecht op een hofstede in het land van Cadzand, waar ze ook werkte, omdat de stukken zo goed als versleten waren. Op de vraag van de vrouw wat ze er wilde voor geven, antwoordde ze dat het slecht zilver was en dat ze er maximum 11 permissie schellingen voor kon geven. Nadat ze de twee stukken echter gewogen en getoetst had, verminderde ze haar prijs naar 10 schellingen, waarmee de vrouw akkoord was. Na betaling vroeg ze de naam en het adres van de vrouw, om die in haar register in te schrijven. Die antwoordde: Theresia Samay, uit het Schrijversstraatje 3. Ze voegde daarop ook nog aan toe dat indien de man voor wie ze die broekstukken verkocht niet tevreden was met de ontvangen prijs, ze de stukken binnen de 8 dagen nog kon terug komen halen. Nadat tien dagen later niemand was teruggekomen liet ze de stukken smelten. 

Carolina Jacobs (52), de moeder van Louis Quicke legt ook op maandagmorgen een verklaring af. Ze vertelt dat er op maandagmorgen 29 april rond 6 uur op de deur werd geklopt. Toen ze opendeed zag ze dat het haar zoon was, vergezeld van een andere man, en beiden in de kleding van het bedelaarswerkhuis. Ze was op de hoogte van zijn ontsnapping en vroeg hem waar hij was geweest, waarop hij antwoordde, op verscheidene plaatsen in het land van Cadzand. Toen ze daarop vernam dat hij langskwam om wat geld te krijgen ging ze vlug naar familie om daar wat geld te lenen. Bij haar terugkomst merkte ze er nog een derde man op, lang van gestalte, en een vrouw, die de mannen als Theresia aanspraken. De lange man zei tegen de anderen dat er een vrouw die met oude kleren op de markt stond, zou langskomen, en rond 11 uur kwam inderdaad bazinne Van Hauwe langs. Ze verkocht aan de mannen wat oude, versleten kleren die ze in een mandje bijhad. Haar zoon Louis kocht een vestje voor twee en een halve stuivers. Na het vertrek van bazinne Van Hauwe, vroegen haar zoon en de anderen om te blijven eten. Ze praatte ondertussen met haar zoon en probeerde hem te overtuigen om terug te gaan naar het Atelier. Hij scheen daar eerst in toe te stemmen maar veranderde daarna van gedacht, omdat hij niet wist hoe lang ze hem daar nog zouden vasthouden.  Hij bleef echter wel bij haar toen de anderen rond 13.30 vertrokken. Twee dagen later werd haar zoon bij haar terug opgepakt en overgebracht naar het bedelaarshuis. De laatste keer dat ze hem daar op een zondag bezocht vertelde hij haar dat hij naar een andere plaats zou worden overgebracht omdat hij werd beschuldigd van diefstal. 

Na deze twee verhoren maakt onderzoeksrechter van Thente dezelfde dag nog een dagvaarding op voor de huisvrouw van Pieter Van Hauwe en en haar dienstmeid Maria Spanier. Ze moeten zich de dag erna al aanbieden in zijn kabinet. Benoit Vanhoutte bezorgt de dagvaarding in de Sterrestraat 4, waar beide vrouwen wonen.

18 juni 1822 - Kabinet van onderzoeksrechter van Thente.

Joanna Hilderson (25) , de vrouw van Francis Vandenhauwe mag als eerste een verklaring afleggen. Ze bevestigt voor het grootste deel wat haar man op 15 juni heeft verteld aan de onderzoeksrechter. Ze voegt nog een aantal zaken toe:
- dat Theresia Samay een half uur na haar eerste bezoek nog eens alleen terugkwam, een schort kocht en vroeg om langs te komen in het huis van vrouw Quicke met wat kledij.
- dat de vrouwen daar bezig waren met aardappelen te schillen en vis klaar te maken.
- dat de mannen jenever aan het drinken waren.
- dat ze hoorde dat één van de mannen Hebbelinck heette, en die haar vertelde dat zijn moeder in het Pottenmakersstraatje woonde.
- dat ze 3 frank terugkreeg omdat het laken korter was dan 4 el.
- dat ze daarna met Theresia Samay langsging bij Pieternella Seghers om te spreken over de maat van het laken.

Maria Spanier (49) de dienstmeid van Francis Vandenhauwe en Joanna Hilderson mag ook haar verhaal doen over wat ze de ochtend van 29 april heeft gezien. Haar gedetailleerde verklaring komt overeen met die van haar werkgevers. Ze vertelt ook dat ze de man en vrouw nooit eerder had gezien, maar dat haar meesteres na hun vertrek vertelde dat ze al eerder goederen had aangekocht van de vrouw, voordat zij in dienst was. Ze verklaart ook nog dat de zondag voor de commissaris van Brugge langskwam, een zekere Casteleyn, die gehuwd is met een dochter Quicke, langskwam en aan haar werkgevers vertelde dat het stuk blauw laken dat ze hadden gekocht, gestolen was. Hij wist dat omdat hij ook in de kamer van moeder Quicke was, toen de mannen het geld van de opbrengst ervan aan het verdelen waren. Vrouw Vanhauwe antwoordde daarop dat hij dat beter al vroeger was komen vertellen en dat ze het gestolen goed dan niet zouden verkocht hebben, maar konden afgegeven hebben aan de politie.

19-20 juni 1822 - Kabinet van onderzoeksrechter van Thente.

Onderzoeksrechter van Thente dagvaardt op woensdag 19 juni Casteleyn, die gehuwd is met een zuster van Louis Quicke, en die genoemd werd door Maria Spanier, om op donderdagnamiddag om 14 uur naar zijn kabinet te komen. 

Philippe Casteleyn is 23 en koperslager. Hij herinnert zich dat op maandag 29 april 's morgens vroeg terwijl hij nog in bed lag, zijn schoonmoeder, de weduwe van Dominicus Quicke, bij hem langskwam en vertelde dat haar zoon Louis, die weggelopen was uit het atelier, terug was, en gevraagd had om wat geld. Zijn vrouw vertrok wat later naar de kamer van moeder Quicke en vertelde toen ze terugkwam dat Louis om een broek had gevraagd. Later in de voormiddag ging hij op zijn beurt naar het huis van moeder Quicke en gaf Louis Quicke daar een blauwe broek. Hij had daarna een gesprek met Michiel van Tuyckom, van wie zijn schoonmoeder de zolderkamer huurt. Hij zag de drie mannen, Louis Quicke, Louis Hebbelinck, die hij al een jaar of drie kende, en een lange man, geld onder elkaar verdelen aan tafel. Hij zag daarna vrouw Vanhauwe binnenkomen, die wat oude kleren verkocht aan de mannen, en die daarna een discussie had met de vrouw en de drie mannen. Hij zag de mannen daarna wat geld geven aan vrouw Vanhauwe, en kreeg toen een vermoeden dat er iets oneerlijks aan de gang was. Hij verliet nadat zijn schoonbroer hem had beloofd in Brugge te blijven het huis. Toen hij enkele dagen later hoorde dat vrouw Vanhauwe het laken had gekocht, ging hij bij haar langs om haar te waarschuwen dat dit waarschijnlijk gestolen was.

21-22 juni - Kabinet van onderzoeksrechter van Thente.

Onderzoeksrechter van Thente doet zijn best voor zijn collega in Goes. Hij heeft van Philippe Casteleyn de naam gekregen van Michiel van Tuyckom, die een zolderkamer verhuurt aan Carolina Jacobs, de moeder van Louis Quicke, en zendt hem op vrijdag 21 juni ook een dagvaarding. 



Michiel van Tuyckom, 26 en stoelmaker verschijnt op zaterdagnamiddag 22 juni om 14 uur voor onderzoeksrechter van Thente. Hij verklaart dat Carolina Jacobs al een drietal jaar bij hem woont op een zolderkamer. Hij herinnert zich dat er op maandag 29 april aan de deur werd geklopt toen hij nog in bed lag. Carolina Jacobs opende de deur en deed twee personen mee naar haar kamer, haar zoon Louis en een andere persoon die ze niet kende. Hij stond daarna op en deed wat werk in zijn atelier. Wat later ging hij naar boven om Louis Quicke, die ook nog bij hem had gewoond, te groeten. Hij trof op de kamer nog een paar andere mannen aan, die bezig waren met jenever te drinken. Philippe Casteleyn kwam toen binnen, met wie hij een gesprek had. Verder bevestigt hij wat Casteleyn heeft verteld over vrouw Vanhauwe. Hij vertrok daarna zelf met Casteleyn om in de buurt een dreupel te gaan drinken.

Onderzoeksrechter van Thente heeft hiermee alle mogelijke getuigen van wat er op maandag 29 april gebeurd is, ondervraagd en zendt zijn lijvig rapport met alle uitgeschreven verklaringen op maandag 24 juni naar zijn collega in Goes. Die ontvangt het op donderdag 27 juni. Met deze getuigenissen uit Brugge is hij nu volledig op de hoogte van wat er zich daar op maandag 29 april heeft afgespeeld. Zes van de negen verdachten van de diefstak zitten in hechtenis in Goes. Theresia Samay is niet gevonden in haar woning in Brugge en zwerft rond in het land van Cadzand. En dan zijn er nog Elegheer en zijn mysterieuze vriendin, waarvan niemand de naam kent. Er zal echter wat die twee laatsten betreft, dezelfde week nog een doorbraak zijn. Dat zien we in 'Het onderzoek 3'.