dinsdag 12 september 2017

Diefstal in het Vogelschorre deel 1: De beschuldigden

In april 1822 wordt de diefstal gepleegd waarvoor de volgende negen personen zich later dat jaar moeten verantwoorden voor het Hof van Assisen in Zeeland. Voor de behandeling van de diefstal zelf eerst een overzicht van de negen beschuldigden, waaronder Lucia Olieux.

1.Francis (François) Verburgh

Hij wordt geboren in Brugge op 19 november 1798. Zijn moeder Jeanne Verburgh, afkomstig van Uitkerke, is dienstmeid in Brugge en 40 bij zijn geboorte. 


Er wordt geen vader vermeld in de geboorteakte. Joanna Verburgh is bij de geboorte dienstmeid bij tabakshandelaar Dominicus Franciscus Dely. Die is 45 bij de geboorte van François en waarschijnlijk de vader. De aangifte wordt gedaan door Charles en Anne Dely.

Joanna Verburgh overlijdt in 1811 en François neemt kort  dienst in het Franse leger en wordt als 'pijper' (muzikant met pijpersfluit) ingelijfd bij het 29e linieregiment. Op 20 september 1815 neemt hij vrijwillig dienst bij de 6e afdeling infanterie van het Nederlandse leger.


Hij deserteert op 14 juli 1816 en wordt op 2 juli 1817 heringeschreven in het militaire stamboek van de 6e afdeling infanterie als nummer 1284. Op 20 augustus deserteert hij al opnieuw.


Bij een ondervraging verklaart hij dat hij drie jaar in de ijzers heeft gezeten voor desertie, en zijn straf in Antwerpen heeft uitgezeten. Hij vertelt ook dat hij op 17 oktober 1821 uit het leger werd ontslagen. Maar volgens het bevolkingsregister van Brugge keert hij al begin november 1820 terug van Antwerpen naar Brugge. Hij gaat er wonen in de Boninvest 15, bij de kinderen van Joannes Hubertus Dely, de broer van Dominicus Franciscus.


Het signalement van Francis Verburgh:

De lengte van Francis Verburgh was volgens dit signalement 1.63 m. Vreemd genoeg wordt zijn lengte in een gevangenisegister als 1.71 vermeld). Hij had op beide armen een tattoo van een anker, op de rechterarm in het zwart en op de linker in het rood. Verder ook een klein litteken van een snede op zijn rechterwang.


2. Livinus Casimirus Elegheer

Livinus Casimirus Elegheer wordt op 21 december 1799 geboren in de Rechtstraat in Eksaarde.  Vader is de 43 jarige arbeider, Livinus Elegheer en moeder de 38 jarige Isabelle Ongena. Vier jaar later wordt vlakbij in dezelfde straat Lucia Olieux geboren. De moeder van Livinus overlijdt in februari 1811. Vader Livinus Elegheer huwt later opnieuw en gaat in Lokeren wonen. Zoon Livinus blijft in Eksaarde wonen.

Hieronder: Uit de geboorteakte van Livinus Casemirus Elegheer - Pieter Elegheer, de oom van Livinus Casemirus is getuige en kan ondertekenen - vader Livinus is ongeletterd.


Op 1 mei 1819 neemt Livinus Elegheer dienst als vervanger van Jean François Verlackt, die dat jaar het lage nummer 13 trok in Eksaarde. Livinus wordt ingedeeld bij het 4e Bataljon Veldartillerie, Treincompagnie. De 4 bataljons zijn dan pas gevormd en ontstaan uit de 3 Bataljons Artillerietrein.
Het 4e bataljon was in garnizoen in Antwerpen.



In april 1822 is Livinus Casimirus met groot verlof en heeft daarvoor een verlofpas ontvangen die hij bij een eventuele controle kan tonen.

Het signalement van Livinus Casimirus Elegeheer:

Livinus was 1,84 m, wat voor die periode ongewoon groot was. Op zijn rechterarm had hij een tattoo van een vrouw met het jaartal 1821 erbij.


3. Louis Hebbelinck

Hij wordt als Louis Marie Dominque Hebbelinck  geboren op 7 augustus 1798 in de wijk Ekkergem in Gent.


Zijn ouders zijn beiden Bruggelingen. Zijn vader Ludovicus Joannes Hebbelinck is bijna 20 jaar ouder dan zijn moeder Cecilia Maria Van Houtte. Bij zijn huwelijk in Brugge op 16 augustus 1796 is Ludovicus Joannes onderchef op het tweede bureau van de gemeentelijke administratie in Brugge. Kort daarna verhuist het gezin naar Gent waar Ludovicus nu professor in de muziek is, en waar Louis Hebbelinck geboren wordt. Op 11 maart 1800 krijgen ze in Gent nog een dochter, Sophie Rosalie. Vader Ludovicus Hebbelinck overlijdt op 24 april 1807 in Rotterdam. Louis is dan pas 9. 


Als enige zoon wordt Louis Hebbelinck in 1817 definitief vrijgesteld van legerdienst. Er is ook verwarring over zijn geboorteplaats. Hij is wel degelijk in Gent geboren en niet in Brugge. Hij is hoedenmaker (chapelier). 



Rond 1817 gaat Louis als dienstbode werken bij rentenier Anna Joannes Camille de Galand de Noortvelde in de Hoogstraat 51. Hij is een oud officier van het Vierset regiment, in dienst van de Oostenrijkers. Zijn dochter Maria Anna Clara woont nog thuis. Ze huwt op 30 december 1818 met Adolphus Franciscus De Marenzi (later Baron de Marenzi de Marensfeld), en ze wonen na het huwelijk in bij de vader van Maria Anna.




Joannes Camille de Galand overlijdt in zijn huis in de Hoogstraat op 28 september 1819. Dat Louis Hebbelinck daar dienstbode is in een rijk huishouden blijkt uit de lijst van goederen die twee weken later openbaar verkocht worden in het sterfhuis.


Louis is dus zijn werk kwijt. Hij gaat bij zijn moeder en zus wonen in de Pottenmakersstraat 35. Een paar maanden later wordt hij volgens zijn eigen verklaring opgepakt in Leffinge voor bedelarij. Hij wordt overgebracht naar het bedelaars werkhuis in de Werkhuisstraat in Brugge. Dit werkhuis is dan sedert 1816 ondergebracht in de gebouwen van het Magdalenagasthuis. De straat kreeg daarna de naam van dit werkhuis. In 1822 is dit de enige locatie in de provincie waar nog bedelaars worden opgesloten. Het aantal bedelaars is in die periode sterk verminderd en de bedelaarshuizen in Ieper en Kortrijk worden dan ook gesloten


Hieronder: Uit de Verzameling der Akten van Algemeen Bestuur der Provincie West-Vlaanderen - 13de deel - 1822



In 1822 zit Louis Hebbelinck al een paar jaar vast in het bedelaarshuis. Hij heeft er ondertussen geleerd om klompen te maken. Op 13 maart van dat jaar wordt het koninklijk besluit uitgevaardigd dat alle bedelaars van beide geslachten die in staat zijn om veldarbeid te verrichten in de toekomst zullen ondergebracht worden in een kolonie van weldadigheid, waar ze een opleiding zullen krijgen in de landbouw.In juli 1823 worden al 130 bedelaars vanuit het bedelaars werkhuis in Brugge overgebracht naar de kolonie Ommerschans. in Ommen in Overijssel. Twee jaar later wordt op 4 juli 1824 de eerste steen gelegd van de strafkolonie in Merksplas.

Louis Hebbelinck wacht echter niet zolang. Op 23 april 1822 ontsnapt hij, enkele dagen voor de diefstal, samen met Louis Quicke, Jacobus Beeckman en Henricus Van Gesteren uit het bedelaarshuis. 

Het signalement van Louis Hebbelinck




4. Louis Quicke

Louis Joseph Quicke wordt ook in Brugge geboren, op 11 februari 1802. Zijn vader Dominique Quicke is er koordenmaker en schoenmaker. Na het overlijden van zijn eerste vrouw Catharina Dubois is hij hertrouwd met de 15 jaar jongere, Caroline Jacobs, de moeder van Louis Quicke. Dominique overlijdt op 5 januari 1812 in het Burgerlijk Hospitaal van Brugge. Louis is dan bijna 10. en heeft 3 broers, Jean Jacques (16), Constantin (7) en Jean (5) Quicke. De kinderen uit het eerste huwelijk van Dominique zijn al volwassen. 




Louis Quicke wordt op 20 maart 1821 goedgekeurd voor dienst in het Nederlandse leger, maar met het hoge nummer 403 dat hij heeft getrokken zal hij nooit opgeroepen worden.



Bij de loting is Louis Quicke 19. Hij woont met zijn moeder en zijn jongere broer Constantin in de Lange Baliestraat 38. Zijn moeder huurt er sinds augustus 1820 een kamer bij Jean De Rudder en zijn vrouw Marie Poupaert. Begin maart 1822 verhuist ze en huurt een zolderkamer bij Michiel Van Tuyckom, stoeldraaier, in de Korte Baliestraat 3, waar ze al woonde voordat ze in augustus 1820 verhuisde. Michiel Van Tuyckom is er na zijn huwelijk met Joanna Laforce in juni 1818 komen wonen.

In het voorjaar van 1820 wordt de 18 jarige Louis Quicke langs de weg tussen Brugge en Varsenare opgepakt voor bedelarij. Hij wordt overgebracht naar het bedelaars werkhuis in Brugge, waar hij twee jaar later op 23 april 1822 ontsnapt met Louis Hebbelinck, Jacobus Beeckman en Henricus Van Gesteren.

Hieronder: Louis Quicke verklaart dat hij bij zijn ontsnapping al 24 maand vastzat in het bedelaarshuis.


Signalement van Louis Joseph Quicke

Louis was in vergelijking met de 3 vorige klein van gestalte, slechts 1,53 m. Hij had net als veel anderen in die periode littekens in zijn gezicht overgehouden van de kinderpokken. Volgens dit signalement waren het er maar enekele.



5. Jacobus Beeckman

Nog een andere Bruggeling is Jacobus Norbertus Beeckman. Met zijn 41 jaar is hij de oudste van de bende. Hij was afkomstig van Gent, waar hij op 24 september 1781 geboren werd. 


In 1815 woont hij in Boom samen met Maria Josepha Van Steenkiste uit Izegem. Hij is 34 maar moet dat jaar toch naar de loting in Boom. Hij trekt het nummer 65 en krijgt vrijstelling omdat hij kan bewijzen dat hij meer dan 5 jaar dienst heeft gedaan in het Franse leger.


Hij is in 1822 niet gehuwd maar heeft al 4 kinderen gekregen met de 41 jarige Maria Josepha Van Steenkiste. Op 19 juni 1809 wordt in Brugge, Christine geboren. In 1811 wonen ze in Groede in Zeeland, en daar wordt op 26 augustus, Lermes geboren. In 1814 bevinden ze zich in Boom en Joanna Josephine wordt er geboren op 21 december. In 1818 zijn ze weer in Brugge en op 1 oktober 1818 wordt een tweede zoon Joannes Jacobus geboren. Constantinus Van Steenkiste, vroedmeester, doet aangifte van de geboorte. Jacobus Beeckman is op dat moment niet in Brugge. Hij is er wel bij het overlijden van zijn dochtertje Joanna op 8 november 1819. Ze wonen dan sedert juni in de Langerei 79.

Hieronder: geboorteaktes Lermes Beekman in Groede en Joanna Josephine in Boom



Jacobus Beeckman verhuist in Brugge voortdurend met zijn gezin. Vindt hij geen werk meer en kan hij zijn kinderen niet meer voldoende eten geven? In ieder geval wordt hij begin februari 1822 in Oostkamp opgepakt wegens bedelarij en overgebracht naar het bedelaars werkhuis in Brugge. Net als de anderen verschijnt hij ook niet voor een rechtbank en wordt voor een 'onbepaalde tijd' opgesloten. Zoals we bij Hebbelinck en Quicke zagen kon deze onbepaalde tijd soms jaren worden.

Verklaring Jacobus Beeckman

Op 23 april ontsnapt Jacobus met de twee Louis', Hebbelinck en Quicke, en Hendrik Van Gesteren uit het bedelaarshuis.

Signalement van Jacobus Beeckman

Jacobus verklaart dat hij in zijn rechterdij werd geschoten. Dat gebeurde waarschijnlijk tijdens zijn dienstperiode in het Franse leger.


6. Theresia Samay

Ze wordt op 3 juli 1797 geboren in de Carmersstraat 11 in Brugge en krijgt de voornamen Therese Isabelle. Haar vader Jean Samay is handelaar en afkomstig van Koolkerke. Moeder is de 38 jarige Isabelle Simoens. Jean Samay is de tweede man van Isabelle, die voordien gehuwd was met Petrus De Vleeschouwer. Haar zoon Petrus Jacobus De Vleeschouwer, geboren eind 1782 woont bij hen in. Het botert waarschijnlijk niet tussen de twee echtgenoten en in 1805 verdwijnt Jean Samay spoorloos. Isabelle Simoens overlijdt een jaar later op 25 juni 1806 op 47 jarige leeftijd. Therese Isabelle is dan pas 9.


Begin november 1821 komt Theresia Samay van Vlissegem naar de Gravenstraat 26 in Brugge. Ze verhuist op 4 februari 1822, enkele maanden voor de diefstal naar de Schrijversstraat 3.

Signalement Theresia Samay


7. Lucia Olieux

Lucia wordt geboren op 20 april 1803. Ze is het tweede kind en tweede dochter van Franciscus Olieux, geboren in Gullegem op 21 juni 1776 en Sophia Francisca Van Hecke uit Eksaarde. Franciscus vertrekt rond 1798 naar de streek van Lochristi  waar zijn oudste broer Petrus Josephus op dat moment op dat moment woont. Hij gebruikt de identititeit van zijn oudere broer Hilarius om te ontsnappen aan de dienstplicht. Op 9 februari 1800 huwt hij in Belsele met Sophia Francisca Van Hecke uit Eksaarde. Na het huwelijk gaan ze in de Rechtstraat in Eksaarde wonen.

Hieronder: Lucia wordt als Alue ingeschreven in de Burgerlijke Stand van Eksaarde. Dit bleef haar officiële achternaam. Hoewel dat voor haar niet veel uitmaakte. Ze kon niet schrijven en gebruikte fonetisch altijd de naam Olieux. 


Lucia groeit op met de andere kinderen in de Rechtsraat in Eksaarde. Livinus Elegheer (zie nummer 1 ) , twee en een half jaar ouder dan haar, is er één van. In het voorjaar van 1822 is Livinus, die in dienst is in Antwerpen, met groot verlof. Samen verlaten ze Eksaarde en trekken noordelijk naar de streek van Zelzate om er voor een tijdje werk te zoeken.


Signalement van Lucia Olieux



Lucia was met haar lengte van 1,66 m. groot voor een vrouw in die periode. De anderen hadden het dan ook vaak over ' het lange wijf' van Elegheer wanneer ze naar haar verwezen.

Hieronder: De 'plaats' van Eksaarde, waar Lucia geboren werd, was een eeuw na haar geboorte nog niet veel veranderd.




8. Pieternella Munster

Pieternella Margrieta Munster wordt in Sluis geboren. Haar vader Willem Munster, geboren in Sluis, is er op 17-jarige leeftijd, op 3 maart 1798 gehuwd met de twee jaar oudere Pieternella Margrieta Den Ingelsen, afkomstig van Middelburg.  Pieternella Den Ingelsen is bij het huwelijk al rond de 6 maand in verwachting. Hun dochtertje Paulina Maria wordt geboren in Sluis op 4 juni 1798 maar overlijdt 3 maand later. Op 7 oktober 1799 wordt een tweede dochter, Pieternella Margrieta geboren. Twee jaar later wordt op 27 maart 1801 nog een derde meisje dat de namen Pauwelina Maria krijgt.


Hieronder: Maria Estresia Lacroix, gehuwd met Paulus Moelaert, meester-glazenmaker in Sluis en grootmoeder langs moeders kant van Pieternella Munster gaat mee om de geboorte aan te geven.



De grootvaders van Pieternella Munster zijn al lang overleden. Haar beide grootmoeders zijn daarna opnieuw gehuwd.

Alida Hartman, de moeder van haar vader krijgt na haar huwelijk met Fredricq Munster twee zonen,
 Philip in 1779 en Willem, die gedoopt wordt op 7 december 1780. Na het overlijden van haar man huwt ze opnieuw met Abraham Janssen, afkomstig van Middewolde bij Groningen. Ze krijgt in 1788 op 46 jarige leeftijd nog een dochter, Petronella Janssen. Abraham Janssen overlijdt in Sluis op 14 maart 1808 en zijn dochter Petronella op 23 juni 1809. Ze is dan pas 21. Alida Hartman blijft in Sluis wonen en overlijdt er op 9 februari 1815.

Maria Etresia La Croix, huwt na het overlijden van haar man, op 8 februari 1786 in Middelburg met Paulus Moelaert. Haar dochter Pieternelle Ingelse (°22/06/1778 in Middelburg) is dan bijna acht. Twee maand later wordt een zoon, Jacob Moelaert geboren, en in 1792 in Oostburg nog een zoon, Adriaan. Paulus Moelaert is glazenmaker en ze verhuizen dikwijls. In 1798 wonen ze in Sluis waar dochter Pieternelle Ingelse huwt met de jonge Willem Munster. Elf jaar later bevindt Maria La Croix zich met haar man en twee zonen in Vlissingen. Paulus Moelaert overlijdt er op 21 augustus 1809.

Maria La Croix keert daarna met haar zonen terug naar Middelburg. Jacob Moelaert huwt er op 7 november 1822 met Hermina Mosterman uit Amsterdam. Jacob is een maand daarvoor op 1 oktober benoemd tot gerechtsdienaar in Middelburg. Zijn broer Adriaan is er kleermaker en overlijdt 4 jaar later op 21 april 1826 in Middelburg. Maria Etresia La Croix overleeft haar jongste zoon met bijna 21 jaar en overlijdt ook in Middelburg op 89 jarige leeftijd op 19 januari 1847.

Rond de eeuwwisseling heeft Pieternella Munster dus heel wat familie in Sluis. Toch verklaart Francis Verburgh (zie nummer 1) in 1822 over Pieternella Munster dat ze twee jaar of iets langer geleden vanuit de weesschool in Middelburg naar Sluis is gekomen. Er is inderdaad geen spoor meer van Willem Munster en Pieternella Den Ingelsen in Sluis na de eeuwwisseling. In ieder geval is Pieternella Munster geen wees in 1820. Willem Munster overlijdt namelijk pas in 1822 een 300 km verderop in Den Helder. Hij is bootsman (onderofficier) op het zeilschip ' Z.M. Zeeland' en valt op 21 oktober 1822 in het water. Zijn lichaam wordt pas 16 dagen later uit het water opgevist.

   

Twee bemanninsgleden doen op 6 november aangifte van de verdrinking. Pieternella Margaretha den Engelsche wordt vermeld als zijn echtgenote en hij laat een kind na. Deze uitdrukking doet denken aan een jong kind. Pieternella Munster is ondertussen echter al 23.

Willem Munster is voor zijn huwelijk al scheepsknecht, en een bureaujob bij de douane is waarschijnlijk niets voor hem. Hij wil dus waarschijnlijk varen en neemt dienst op een schip. Eind maart 1801 bevindt hij zich nog in Sluis, wanneer een derde dochter Pauwelina Maria wordt geboren. Ergens daarna verlaat hij dus waarschijnlijk Sluis. Alleen Pieternella Munster is daarna nog terug te vinden in Sluis. Er is geen spoor meer van haar twee jaar jongere zusje Pauwelina. Ook van moeder Pieternella Den Ingelsen is geen overlijdensakte terug te vinden in Zeeland. Volgens de overlijdensakte van Willem Munster leeft ze nog in 1822. Hebben ze Pieternella Munster achtergelaten in Sluis? Waarom wordt ze in een weesschool geplaatst in plaats van opgenomen te worden in het gezin van haar grootmoeder Maria De La Croix? Het lijkt of het meisje door haar ganse in de steek werd gelaten.

Pieternella leerde in de weesschool schrijven en ze is samen met haar vriend Francies Verburgh de enige van de 9 die geletterd is.



Signalement van Pieternella Munster



Pieternella was maar 1,51 m. Ze had op haar rechtbovenarm een vlek die op een moerbei geleek.

9. Constantia De Prez

We komen een aantal zaken over Constantia Deprez te weten van Wilhelmina De Bruyn, geboren in Hulst in 1781. Ze woonde in 1822 met haar tweede man Fraçois Garodel in Sas van Gent. Lambertus Merry ondervraagt haar op 14 mei over Constantia Deprez.






Wilhelmina vertelt:


"Wanneer Constance de Prez circa vijf jaren oud was kwam haar moeder te overlijden in een schuur in Biervliet, en vaderloos zijnde werd zij uit medogenheid opgenomen door zekeren François Garodel, scheirslyper van beroep, die der tyd in huwelyk met voorschreve Wilhelmina de Bruyn, die haar op gevoed en gekweekt hebbe tot den ouderdom van omtrent zestien jaren. Wanneer zij Constance de Prez circa twee jaren geleden, Wilhelmina de Bruyn in huwelijk bij J. Be. Vervliet (Garodel zynde over drie jaren overleden) heeft verlate en zederd niet meer in huys by haar heeft geweest."

Wilhelmina de Bruyn zegt verders vernomen te hebben indirectelyk dat gemelde Constance de Prez bij de boeren heeft gewerkt, ook haar brood gevraagd en zelf met Pakkedragers in het land van Cadzand heeft rondgezworven, om hunne goederen te verventen & verkoopen, maar waar zy thans haar ophoud is onbekend.  

Zij verklaard nog op al den tijd (circa elf  jaren) dat gemelde Constance bij haar heeft thuys geweest zich altyd in haren handel regtvaardig heeft gedragen.

Ze geeft ook een signalement van Constance aan burgemeester Merry:


Klopt dit alles wat Wilhelmina de Bruyn vertelt aan burgemeester Merry? Volgens haar is Constantia geboren in Carignon. Het gaat hier om Quaregnon, een tiental kilometer ten westen van Mons (Bergen). Constantia zelf echter verklaart later dat ze geboren werd in Mons. 



Het vermelden van Quaregnon door Wilhelmina de Bruyn is echter wel heel specifiek. Ze is zelf geboren in Hulst en kan alleen maar van deze gemeente, ongeveer 150 km van haar geboortedorp gehoord hebben in verband met Constantia De Prez. Constantia zou dus rond 1803 daar moeten geboren zijn. Er wordt echter noch in Quaregnon, noch in Mons een Constance Deprez geboren in die periode. Later wordt in de overlijdensakte van Constantia vermeld dat ze geboren werd in Mons, en volgens haar leeftijdsopgave zou dat in 1805 geweest zijn. De namen van haar ouders waren Louis Du Prée en Amelia Schultenaal. 

Het verhaal van de schuur klopt ook niet. In 1808 woont François Garaudel, die Constantia in huis zou hebben genomen na het overlijden van haar moeder, inderdaad in Biervliet. Hij is er schaarslijper. Hij is afkomstig van Brizeaux in de streek Argonne in Frankrijk, waar hij op 28 mei 1778 geboren werd. Op 13 januari 1808 gaat hij in Biervliet aangifte doen van de geboorte van zijn zoon Jan Pattist. Moeder is Annemie Schutner. Ze overlijdt 8 dagen later op 27 januari. Hij verklaart dat ze zijn wettige vrouw was, maar bij zijn huwelijk met Wilhelmina De Bruyn wordt geen gewag gemaakt over een vorige vrouw.



Het gaat hier duidelijk om de moeder van Constantia. Er is in die periode ook maar één overlijden in een schuur. Midden februari 1807 overlijdt een onbekende man zonder papieren in de schuur van landbouwer Willem Leenhouts. Constantia woont dus na het overlijden van haar vader, samen met haar moeder bij François Garaudel en blijft er na haar overlijden wonen.

Wihelmina De Bruyn vermeldt verder dat ze gehuwd was met François Garaudel en dat ze ongeveer 11 jaar voor Constance heeft gezorgd. François verhuist in 1812 van Biervliet naar Sas van Gent. Hij wordt een aantal keren opgenomen in het bevolkingsregister, maar Wilhelmina wordt niet bij hem vermeld



Hij heeft wel een huishoudster Jeanne Aumand. Wilhelmina huwt uiteindelijk wel met Francois Garaudel maar pas op 7 augustus 1818.



Lang duurt het huwelijk niet. François Garaudel overlijdt nog geen 3 maand later op 27 oktober in Aardenburg. Wilhelmina de Bruyn huwt een jaar later op 30 oktober 1819 opnieuw, met de 34 jarige Johannes Baptista Vervliet, afkomstig van Kaprijke. Constantia werd opgevoed door François Garaudel, die ze ongetwijfeld als haar vader beschouwde. Na zijn overlijden in 1818 blijft ze bij Wilhelmina de Bruyn wonen, maar een zestal maand na haar huwelijk met Jean Baptiste Vervliet loopt ze thuis weg. Haar vlucht heeft dus zo goed als zeker te maken met Jean Baptiste Vervliet. Wat er juist gebeurt kunnen we niet meer achterhalen, maar Constance verkiest op 16 jarige leeftijd een onzeker leven als landloopster, boven dat van te blijven wonen bij Wilhelmina en Jean Baptiste.

Hoewel het twee jaar geleden is dat ze het huis heeft verlaten kan Wilhemina zich nog herinneren welke kledij Constantia droeg toen ze vertrok.



Het signalement van Constantia Deprez




Deze 9 personen stonden op 3 december 1822 terecht voor het Hof van Assisen in Middelburg voor een diefstal gepleegd op zaterdag 27 april in het schuurtje van Abraham Dees, in het Vogelschorre in Terneuzen.

Hoe deze 5 mannen en vier vrouwen zich die zaterdag bij elkaar bevonden en een diefstal pleegden in het schuurtje van Abraham Dees of er bij betrokken raakten, zien we in het tweede deel.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten