dinsdag 26 september 2017

Diefstal in het Vogelschorre deel 2 - 27 april 1822

In het vorige bericht kregen we een overzicht van de 9 personen die zich op 3 december 1822 moesten verantwoorden voor het Hof van Assisen in Zeeland, voor een diefstal die werd gepleegd op zaterdagnamiddag 27 april in het Vogelschorre in Terneuzen. Eén van hen was Lucia Olieux, die één week daarvoor op 20 april pas 19 was geworden. In dit tweede bericht bekijken we hoe de 9 samen kwamen en hoe de diefstal werd gepleegd.

De ontsnapping.

We starten in Brugge in april 1822. In de Werkhuisstraat bevindt zich het 'Bedelaars Werkhuis'. Het werd in 1816 ondergebracht in de voormalige gebouwen van het Magdalenagasthuis, waar zich dan aan de kant van de Nieuwe Gentweg al een Rasphuis bevond. In 1822 bestaan de gebouwen uit werkplaatsen op de benedenverdieping en slaapplaatsen op de bovenverdieping, een keuken, cipierkamers, een kamer voor de directeur, een bureel, een magazijn en een binnenplaats met bomen.

In 1822 is landloperij en bedelarij nog strafbaar. Niet alleen als een landloper of bedelaar een strafbaar feit pleegt, maar ook het rondzwerven zonder een wettige woonplaats of bedelen om voedsel op zichzelf. Landlopers en bedelaars worden opgepakt en afgevoerd naar het dichtstbijzijnde bedelaars huis. Voor 1822 zijn er in de provincie West-Vlaanderen ook nog dergelijke bedelaarshuizen in Kortrijk en Ieper, maar omdat het aantal landlopers en bedelaars gevoelig is afgenomen worden die in 1822 afgeschaft. Brugge wordt nu het enige provinciaal bedelaars huis.

Hoewel in het wetboek van strafrecht onder artikel 271 nog bepaald wordt dat bedelaars met 3 tot 6 maand gevangenisstraf kunnen worden beboet en na afloop daarvan in een bedelaarshuis moeten geplaatst worden, moeten bedelaars die geen ander misdrijf hebben begaan niet voor een rechtbank verschijnen en worden ze onmiddellijk overgebracht naar een bedelaarshuis. Daar worden ze voor 'onbepaalde' tijd vastgehouden. 



In maart 1822 komt er een koninklijk besluit dat landlopers en bedelaars die geschikt zijn om veldarbeid te verrichten en geen ander beroep machtig zijn, zullen overgebracht worden naar een een bedelaarskolonie, waar ze landbouw zullen aangeleerd worden.

In april is het nog niet zover. Een aantal gevangenen plant op dinsdag 23 april een ontsnapping. Hendrik Van Gesteren praat 's morgens over zijn ontsnappingsplan met Louis Hebbelinck, Louis Quicke en Jacobus Beeckman, drie Bruggelingen die ook vastzitten in het bedelaarshuis.

Louis Hebbelinck, bijna 24, is de zoon van Ludovicus Hebbelinck, een professor in de muziek, die al in april 1807 overleden is in Rotterdam. Louis heeft een deftige opvoeding gekregen en kan lezen en schrijven. Hij wordt als enige zoon vrijgesteld van legerdienst. Hij heeft het beroep van hoedenmaker aangeleerd maar vanaf 1817 werkt hij een tijd als dienstbode bij Anna Joannes Camille de Galand de Noortvelde, een oud-officier in de Hoogstraat 51. Die overlijdt op 28 september 1819 en Louis wordt niet lang daarna opgepakt in Leffinge voor bedelarij. Hij zit in 1822 al bijna 3 jaar vast in het bedelaars werkhuis, waar hij het beroep van klompenmaker heeft aangeleerd. Hij is ongeveer 1,63 meter en heeft een bleke gelaatskleur. 

Louis Quicke is twee mand voordien in februari 19 jaar geworden. Hij is met zijn 1,52 meter een klein ventje. In zijn gezicht heeft hij een paar littekens overgehouden aan de kinderpokken. Hij heeft lichtbruin haar en de baard die hij heeft laten staan is rosachtig. Zijn gezicht heeft een bleke kleur. Net als Louis Hebbelinck is hij zijn vader al vroeg kwijtgeraakt. Hij is pas 4 wanneer zijn vader Dominicus overlijdt in het Burgerlijk Hospitaal van Brugge. Hij heeft in 1821 het geluk bij de loting een hoog nummer te trekken en wordt niet voor dienst opgeroepen. In 1820 woont hij met zijn moeder Carolina Jacobs en zijn jongere broer Constantin in de Korte Baliestraat 3 in Brugge. Hij is wever. In het voorjaar van datzelfde jaar 1820 wordt hij echter op de weg van Brugge naar Varsenare opgepakt voor bedelarij en overgebracht naar het bedelaars werkhuis.

Jacobus Beeckman is heel wat ouder dan de andere twee. Hij werd in 1781 geboren in Gent. Zijn vader is daar kleermaker. Hij is maar 1,60 meter, heeft zwart haar en ook een rosachtige baard. In tgenstelling tot Louis Hebbelinck en Louis Quicke heeft hij een gezonde gelaatskleur. Hij is meer dan 5 jaar in dienst geweesr bij het leger van Napoleon en leerde daarna Maria Josepha Van Steenkiste kennen. Ze werd in 1781 geboren in Izegem, maar toen ze nog maar één jaar was overleed haar moeder en drie jaar later ook haar vader. Ze zijn niet gehuwd met hebben in 1822 al vier kinderen gekregen. Het eerste meisje wordt in Brugge geboren. Ze trekken daarna van de éne plaats naar de andere om werk te vinden. In 1811 krijgen ze een zoon in Groede, en 3 jaar later een dochter in Boom. In 1818 zijn ze terug in Brugge waar in oktober nog een zoon wordt geboren. Jacobus is niet in Brugge bij de geboorte. Hij is er wel wanneer zijn dochter Joanna Josephine, geboren in Boom, overlijdt in november 1819 in Brugge. Jacobus heeft in 1822 dus drie kinderen die hij moet onderhouden. Begin februari 1822 wordt hij opgepakt in Oostkamp voor bedelarij en op 23 april zit hij dus bijna 3 maand vast in het werkhuis.

De drie mannen stemmen vlug in met het plan van Van Gesteren. Ze zijn alledrie bijzonder ontevreden. Louis Hebbelinck en Louis Quicke vinden allebei dat ze al veel te lang vastzitten en Jacobus Beeckman is van mening dat hij onterecht als bedelaar werd opgepakt.

Hieronder: Hebbelinck wil onstnappen omdat men hem niet langer dan 6 maand had mogen houden.



Het plan is eenvoudig. Van Gesteren gaat de portier zeggen dat hij heeft gehoord dat er aan het poortje in de hoofdingang werd geklopt. Nadat de portier het poortje heeft opengemaakt zal hij de portier vastgrijpen en omverduwen, waarna ze allevier door het geopende poortje kunnen wegvluchten. 

Hieronder: Hebbelinck vertelt over de ontsnapping



Hieronder: De Werkhuisstraat met de gebouwen van het voormalige Bedelaars Werkhuis vandaag. (B)






Vermelding in Inventaris Onroerend erfgoed:

Plannen van de vroegere toestand tonen de oorspronkelijke haast gesloten straatgevelwand - zoals nu nog deels behouden - met centrale poort onder driehoekig fronton, geflankeerd door twee voetgangersdeuren, leidend naar een smalle binnenplaats.

Op de twee foto's hierboven zien we dat de situatie nu nog dezelfde is, een centrale poort met links en rechts twee kleinere deuren. De vier ontsnapten door het kleine deurtje in de grote poort.

Nadat ze de poort uit zijn moeten de vier zo vlug mogelijk weg uit.Brugge Er zal naar hen worden uitgekeken en ze dragen nog het grijze plunje van het bedelaarshuis. Ze raken zonder problemen Brugge uit. Ze zijn van plan tot in het land van Cadzand te trekken en zijn tegen de avond in de Aardenburgse Polder, waar ze in de schuur van een boer  overnachten.

Hieronder: De vier ontsnapten overnachten in de polder ten noorden van Aardenburg, iets meer dan 20 km van Brugge



Hieronder: Aardenburg 85 jaar later



Francis Verburgh en Pieternella Munster

Francis Verburgh is ook een Bruggeling. Zijn moeder Joanna Verburgh is geboren in Uitkerke. Bij de geboorte van Francis in november 1798 is ze 40. Er wordt in de geboorteakte geen vader vermeld en Francis krijgt dus de achternaam van zijn moeder. Die werkt als dienstmeid bij tabakshandelaar Dominicus Franciscus Dely in de Sint-Jacobsstraat in Brugge. Hij is 45 in 1798 en is waarschijnlijk de vader van François.

Joanna Verburgh overlijdt midden november 1811, en François neemt kort daarna op jonge leeftijd dienst bij het Franse leger. Volgens zijn eigen verklaring wordt hij als 'pijper' ingedeeld' bij het 29e Linieregiment, maar hij is niet in de stamboeken van dat regiment terug te vinden. Na de nederlaag van Napoleon neemt hij op 20 september 1815 dienst bij de 6e afdeling infanterie van het Nederlandse leger. Hij deserteert verscheidene malen en krijgt daarvoor 3 jaar gevangenisstraf. Hij keert begin november 1820 terug vanuit Antwerpen naar Brugge en gaat bij Joseph Dely wonen, de zoon van Joannes Dely, de broer van Dominicus waar zijn moeder bij werkte.

Francis is een opvallende verschijning in die periode. Hij is ongeveer 1,70 m en heeft een lichtbruine baard. Op zijn beide armen heeft hij een anker laten tatoeëren. Op zijn rechterarm met zwarte inkt, en op de linker met rode. In zijn oren draagt hij oorringen , met 3 pareltjes aan. Hij heeft in 1822 al heel wat meegemaakt en is van geen kleintje vervaard. In het voorjaar van 1822 trekt hij vanuit Brugge naar de streek van Sluis , waar hij al eerder is geweest, om er werk te zoeken en te bedelen.

Pieternella Munster woont en werd ook geboren in Sluis. In 1822 is ze 22. Ze heeft in tegenstelling tot de meeste anderen uit de groep van 9 leren lezen en schrijven. Volgens een verklaring van Francis Verburgh komt ze rond 1820 vanuit de wezenschool in Middelburg terug naar Sluis. Haar vader Willem leeft dan nochtans nog. Hij is bootsman op het zeilschip Zeeland en verdrinkt later in oktober 1822 dicht bij Den Helder, nadat in het water valt. Pieternella is ongeveer 1,50 m , heeft kastanjebruin haar, een langwerpig, mollig gezicht en haar neus staat wat scheef. Ze vertelt dat ze Francis Verburgh een eerste keer heeft ontmoet toen Adriaan Moelaert, de halfbroer van haar moeder, bij het einde van zijn militaire dienst, haar rond 1820 samen met Francis Verburgh is komen opzoeken in Sluis. Francis herinnert zich dat niet en verklaart dat hij haar de eerste keer zag in 1821 op het schorre in Sluis waar ze zeesalade aan het snijden was.

In ieder geval ontmoet Francis Verburg dat voorjaar Pieternella Munster op een hoeve in IJzendijke, waar ze wil overnachten met haar vriendin Pieternella Dusar. Francis verklaart dat hij daar voor de eerste keer met haar geslapen heeft.en sedertdien bij haar is gebleven.

 

Constantia Depré


Op woensdag 24 april de dag na de ontsnapping vertrekken Louis Quicke en Jacobus Beeckman samen, nadat ze de nacht op de hoeve in de Aardenburgse polder hebben doorgebracht. Ze laten Louis Hebbelinck en Hendrik van Gesteren achter die de hoeve wat later verlaten. Iets verder, bij een andere hofstede, hoort Louis Hebbelinck enkele mensen praten en denkt dat het zijn vrienden Quicke en Beeckman zijn, maar het is een groepje met onder andere Francis Verburgh, Pieternella Munster en Constantia Depré.

Louis Hebbelinck ziet Constantia Depré wel zitten en vraagt haar of ze bij hem wil blijven. Ze is een tijdje het lief geweest van Jean Baptiste Sadron uit Sint-Laureins, maar is nu weer alleen, en gaat dan ook vlug in op het voorstel van Louis. Ze blijven samen achter terwijl Louis Quicke, Jacobus Beeckman en Francis Verburgh en Pieternella Munster verder trekken.

Constantia is klein (1,53 m) en mollig. Ze heeft kastanjebruin haar en een rond gezicht met een brede mond. Haar opvallendste kenmerk is het putje in haar kin. Ze is in 1822 ongeveer 19 jaar en volgens haarzelf geboren in Mons, hoewel er daar geen geboorteakte van haar terug te vinden in de BS.

Haar vader overlijdt wanneer ze nog heel jong is en haar moeder ,wiens achternaam  'Schulten' of 'Schultenaal is, trekt met haar naar Zeeland, waar ze in Biervliet bij de Franse schaarslijper François Garaudel, gaat wonen. In 1807 is ze in verwachting en op 13 januari 1808 wordt een zoontje Jan Pattist Garaudel geboren. Een week later overlijdt Annemie Schulten aan de gevolgen van de bevalling. Constantia blijft daarna bij François Garaudel wonen. Rond 1812 verhuizen ze van Biervliet naar Sas van Gent. Een paar jaar later komt Wilhelmina de Bruyn, waarschijnlijk eerst als huishoudster bij hen inwonen. François en Wilhelmina huwen begin augustus 1818 maar François overlijdt nog geen drie maand later. Constantia blijft  bij Wilhelmina wonen, die een jaar later huwt met Jean Baptiste Vervliet uit Kaprijke. Het botert niet tussen Constantia en Jean Baptiste. Er gaat in ieder geval iets verkeerd, want een half jaar later loopt ze op 16 jarige leeftijd weg van huis. Ze werkt nu en dan op een hofstede, en helpt pakkendragers om hun artikelen te verkopen. Wanneer ze geen werk heeft kan ze niet anders dan bedelen.

Op woensdagavond lopen Louis en Constantia de andere vier weer tegen het lijf. Die hebben die dag nog een andere vrouw opgepikt. Terwijl ze wat aan het rusten zijn komen Theresia Samay en een vriendin voorbij. Theresia maakt een praatje en wanneer ze hoort dat de drie mannen net als haar van Brugge zijn vraagt ze of ze met hen mag meegaan. 

Theresia Samay, geboren in Brugge, begin juli 1797, is bijna 25. Haar vader was handelaar, maar verdwijnt spoorloos wanneer Theresia pas 7 is. Haar moeder overlijdt een jaar later in juni 1806. Theresia woont in 1822 in het Schrijversstraatje in Brugge, maar ze zwerft veel rond in Zeeland, om er te bedelen. Ze is met 1,53 meter ook niet bijzonder groot maar ze staat haar mannetje en is niet bang om tegen de mannen in te gaan. Ze heeft zwart haar, een haakneus, en twee kromme vingers aan de linkerhand en één aan de rechter. Ze wordt de dagen daarna het lief van de 5 jaar jongere Quicke.

Het gezelschap bestaat woensdagavond dus uit 7 personen. De koppels, Francis Verburgh en Pieternella Munster, Louis Hebbelinck en Constantia Depré, en Louis Quicke en Theresia Samay. En als zevende, de veel oudere Jacobus Beeckman, die ondanks zijn leeftijd toch bij de 3 jonge koppeltjes blijft. Hij zou waarschijnlijk liever terugkeren naar zijn gezin in Brugge, maar daar zou hij al vlug opnieuw kunnen opgepakt en terug opgesloten worden in het Bedelaars werkhuis. Hendrik van Gesteren heeft het gezelschap al verlaten.

De zeven besluiten om op de hoeve 'De Zwarte Sluis' in Sint-Kruis te vragen of ze daar in één van de twee schuren mogen overnachten. De hofstede is dan eigendom van Johannes Jacobus Hennequin, burgemeester van Sluis, en wordt uitgebaat door een Vlaming. Ze krijgen toesteming en brengen daar de nacht van woensdag op donderdag door.

Hieronder: De hofstede 'De Zwarte Sluis' in de Groote Boompolder in Sint-Kruis.





Hieronder: In december verkoopt Pieter Bernard Van den Hemel, dan eigenaar, de hoeve. We kunnen uit de beschrijving opmaken dat het om een grote hofstede ging.




De 3 ontsnapten uit het bedelaarshuis bevinden zich op woensdagavond  niet zo ver van waar ze op dinsdagavond overnacht hebben. Ze hebben wel kennis gemaakt met Francis Verburgh en Pieternella Munster, en met Constantia Depré en Theresia Samay, die respectievelijk het lief worden van Louis Hebbelinck en Louis Quicke.

De dag erna trekken ze met zijn zevenen verder. Ze lopen de twee volgende dagen oostwaarts en bedelen op verscheidene hofsteden.Op vrijdag 26 april komen ze aan in het Vogelschorre, een deel van Terneuzen. 

Hieronder: De polder 'Vogelschorre' bevond zich in 1822 nog tussen het 'Sassche Gat' en het 'Axelsche Gat" , twee zeegeulen die in verbinding stonden met de Braakman, een zijarm van de Westerschelde.




Ze lopen die dag alle hofsteden af in het Vogelschorre waar ze om werk vragen en bedelen. Pieter Johannes de Bock uit Assenede, die kastelein is op de hoeve van Joannes Gheldolf veklaart later dat zijn meid hem vertelde dat er die dag bedelaars op de hoeve waren langsgekomen en dat ze hen elk een boterham gaf.

s' Avonds komen ze rond 19 uur aan bij de hofstede van Carel Ferdinand Manilius. Die is  grootgrondbezitter en woont in Gent. De 37 jarige Pieter de Bock uit Westdorpe is kastelein (uitbater) van de hoeve, samen met zijn vrouw Anna Catharina van Pottelberghe. Ze vragen aan Pieter of ze er mogen overnachten in de schuur en die staat dat toe. Eerder die dag is Francis Verburgh op een hofstede met een oude boerin mogen meegaan naar de schuur, en heeft daar aardappelen gekregen. Ze maken die klaar in de arbeiderskeet en gaan daarna slapen in de schuur. Pieter de Bock laat wel iemand op wacht staan.

Hieronder: de verklaring van Pieter de Bock



Hieronder: Er waren maar 4 grote hoeves in het Vogelschorre. Twee waren eigendom van Charles Ferdinand Manilius, gehuwd met Virginie van den Berghe, grootgrondbezitter in Gent. Hij hield vanaf 1823 toezicht op de aanleg van het kanaal Gent-Terneuzen. De andere twee waren van Nobertus Franciscus Van Waesberghe uit Hulst, die gehuwd was met Anna Theresia Boeye uit Sint-Niklaas, en van Joannes Baptiste Gheldolf, een andere grootgrondbezitter uit Gent, gehuwd met Isbella Carolina Antoinette Beyens. Op enkele kleine huisjes met wat grond erbij na, bezaten ze onder hun drieën bijna het complete Vogelschorre, inclusief de dijken.



De zeven sliepen dus op één van de hoeves van Manilius (hierboven Mani1 en 2). Waarschijnlijk op de tweede hoeve die dicht bij de dijk stond.

Een eind verder in het Vogelschorre bevindt zich de hoeve van Norbert Francis van Waesberghe uit Hulst. Dominicus de Moor, in 1797 geboren in Kapelle, is twee jaar voordien in Zaamslag gehuwd met Maria Anna Heyens uit Hoodplaat, en is na het huwelijk naar Terneuzen gekomen, waar hij kastelein is op de hoeve van Norbert van Waesberghe. Op vrijdagavond 26 april komen twee mannen en één vrouw vragen of ze op de hoeve mogen overnachten. 

Het gaat om Livinus Casimirus Elegheer en Lucia Olieux, beiden uit Eksaarde en Ludovicus Bernardus van Laere uit Sas van Gent. Die laatste is 21 en het jaar voordien gehuwd in Sas van Gent met de 6 jaar oudere Johanna Valckx. Johanna heeft in 1815 al een dochter gekregen die ze de naam Idonia gaf. Bernard of 'Naard' Van Laere, zoals men hem noemt, kijkt wat scheel en leidt aan epilepsie. Hij heeft een tijd gewerkt als koewachter bij Lambertus Merry, de burgemeester van Sas van Gent. Het gezelschap bestaat nu dus uit 10 personen, maar er zal later vastgesteld worden dat Bernard Van Laere niets afwist van de diefstal.

Livinus Casimirus Elegheer en Lucia Olieux zijn een opvallend koppel. Ze zijn beiden ongewoon groot voor die periode (Livinus is ongeveer 1,83 m en Lucia 1,66 m) en mager. Livinus heeft rosachtig haar en een baard in dezelfde kleur. Hij heeft het jaar voordien op zijn rechterarm een tattoo van een vrouw met het jaartal 1821 eronde laten plaatsen. Zijn kledij is oud en versleten. Hij draagt een lange broek, heeft een blauw buisje aan, een witte geruite halsdoek, en een hoge ronde hoed. Lucia Olieu heeft lichtbruin haar en een langwerpig gezicht met een welgevormde mond. Ze is gekleed in een paarse schoudermantel en witte schort, en heeft een Vlaamse muts op haar hoofd. Ze hebben allebei klompen aan hun voeten. 

Begin mei 1819 heeft Livinus dienst genomen als plaatsvervanger van Jean François Verlackt, ook uit Eksaarde. Hij wordt ingedeeld bij het 4e bataljon Veldartillerie, Treincompagnie. Hij is in het voorjaar van 1822 met groot verlof, en heeft een verloppas gekregen die hij bij een eventuele controle van papieren kan tonen. Hij draagt die bij hem in een blikken busje. Lucia is 19 en Livinus 22.  Ze zijn beiden in de Rechtstraat in Eksaarde geboren, en groeien daar ook samen op. Na de thuiskomst  van Livinusin het voorjaar verlaten ze samen Eksaarde om in het land van Cadzand werk te gaan zoeken voor een paar maanden.

Enkele dagen voor 27 april ontmoeten ze in de omgeving van  Sas van Gent, Bernard Van Laere. Op hun vraag of hij soms geen boeren kent die werkvolk zoeken, antwoordt Van Laere dat hij een parochie kent waar er veel 'grote boeren' wonen en dat als ze met hem daarnaartoe willen meegaan, ze daar wel werk zullen krijgen. Ze trekken met hem noordwaarts en komen zo op vrijdagnamiddag 26 april aan in het Vogelschorre. Ze lopen de hofsteden af om werk te vragen en op één ervan koken ze wat aardappelen, die ze samen met wat eieren die ze op die hoeve kopen opeten. Ze vinden nergens werk en s' avonds gaan ze dus slapen op de hoeve van kastelein Dominicus de Moor. Die is nog aan het werk en ze vragen aan zijn vrouw of ze er wat brood of meel kunnen kopen. Die antwoordt dat ze er geen kan missen, maar ze krijgen wel wat melk.

Op zaterdagmorgen 27 april worden niet ver daarvandaan de vier mannen en drie vrouwen wakker op de hoeve van Pieter de Bock. Pieternella Munster, Constantia Depré en Theresia Samay wassen 's morgens op de hofstede wat vuile kleren. Het werkvolk is al vroeg aan het werk en de 21 jarige Geetrui Dees, verklaart later dat één van de mannen nog allerhande gekke praat tegen haar heeft uitgeslagen. Geertrui woont wat verder dicht bij de dijk in het arbeidershuisje van haar vader.

Om 10 uur verlaten de zeven de hoeve en trekken weer verder. Ook Lucia, Livinus en Bernard  willen die dag het Vogelschorre weer verlaten. Livinus en Lucia verwachten niet om nog te werk te vinden en zijn van plan terug te keren naar Eksaarde. Ze vertrekken om halftien en komen rond de middag voorbij het huisje van Abraham Dees, de vader van de eerder genoemde Geertrui Dees. Abraham is net als zijn dochter aan het werk, maar moeder Elisabeth Van der Hooft is er wel. Elisabeth wordt later als getuige opgeroepen maar wordt uiteindelijk niet verhoord. Geertrui Dees legt in haar verklaring uit dat haar moeder 'zeer los en zwak van hersenen is'.

Ze maken een praatje met de vrouw en Elegheer stopt er zijn pijp op. De verklaringen over wat er juist gebeurt bij die ontmoeting verschillen. We houden het even bij de verklaring van Lucia Olieux. Ze vertelt dat de vrouw bezig is met hout te kappen in het schuurtje. Elegheer vraagt of het mogelijk is om er wat aardappelen te koken, maar Elisabeth antwoordt dat ze het wel zou toelaten, maar dat ze momenteel geen hout en stro heeft en dat ze ook maar weinig tijd heeft omdat ze straks nog op het veld moet gaan werken. Ze gaan ook even in het huisje binnen waar ze zien dat er wat hemden klaar liggen voor de strijk. Ze vertrekken daarna en  komen een tijdje later voorbij de hoeve van Manilius,  die zich ook dicht bij de dijk bevindt. Enkele mannen en vrouwen die er aan het werk zijn denken waarschijnlijk dat ze bij de bende van 7 behoren, die niet lang geleden is voorbijgekomen en roepen dat hun vrienden wat verderop zijn. Elegheer haalt nog wat drinken op de hoeve en na zijn terugkomst proberen ze de 7 in te halen. 

Bernard Van Laere heeft Francis Verburgh en de anderen een drietal dagen voordien ontmoet op de zeedijk bij Sas van Gent, en heeft toen een praatje gemaakt met Francis en zijn naam onthouden. Hij roept 'Cies' waarop het gezelschap blijft staan en wachten.

Hieronder: Uit een verklaring van Francis Verburgh. Hij verwijst naar Bernard Van Laere als naar 'die gek'. Ook de anderen hebben het over 'die gek of schelen' wanneer ze het over hem hebben. Er waren dus ook uiterlijke tekens dat Van Laere niet helemaal 'normaal' was.



Livinus Elegheer gaat bij Verburgh, Quicke en Hebbelinck lopen. Niemand kent achteraf zijn naam, behalve Louis Hebbelinck. Livinus haalt die dag zijn verlofpas van het leger uit het blikken busje en geeft die aan Louis Hebbelinck, de enige van de mannen die kan lezen. Niemand kan later ook de naam van Lucia Olieux noemen. Iedereen denkt dat haar voornaam Therese is. Het tonen van zijn verlofpas zal Livinus en Lucia later zuur opbreken.

De vrouwen lopen wat voorop, samen met Beeckman en Van Laere. Livinus Elegheer zegt aan de drie mannen dat zij geluk hebben dat zij nog wat betere kledij hebben dan hijzelf, en dat het 'ongelukkig' is dat hijzelf geen hemd aan zijn lijf heeft. Hij heeft nochtans die ochtend nog de gelegenheid gehad om wat hemden mee te pakken op een klein hoevetje, waar de vrouw alleen thuis was. In het schuurtje heeft hij ook twee grote koffers zien staan. Hij heeft niets meegenomen omdat Bernard Van Laere bij hem was en die hem zou kunnen verraden, temeer omdat hij goed de burgemeester van Sas van Gent kent. Hij denkt dat er nog al wat in die twee koffers in het schuurtje moet zitten en  stelt voor om samen terug te keren naar het hoevetje en wanneer er niemand thuis is, in het schuurtje binnen te dringen en alles uit de koffers te halen. Verburgh wil zeker mee doen en ook Hebbelinck en Quicke zijn daarna akkoord om mee te gaan Er zijn later tegenstijdige verklaringen. De andere mannen verklaren dat Elegheer vertelde dat hij ook al de op vrijdag op het hoevetje was langsgeweest, maar zelf ontkent hij dat en ook Lucia Olieux vermeldt dir niet in haar verklaring.

Het is ondertussen middag en het gezelschap is een eindje verder aan het begin van de Papeschorpolder. Ze zetten zich daar beneden aan de dijk om wat te eten. Op dat moment komt Caspar Retterich voorbij. Hij is 37 en woont in Sluiskil. Hij is die zaterdag onderweg naar Westdorpe om er wat proviand te kopen voor de volgende week. Hij ziet hoe iemand van de groep een zak leegschudt en dat er daarbij ook 3 messen uitvallen. Hij neemt aan dat ze daar hun middagmaal gaan gebruiken, maar in het voorbijgaan merkt hij hoe sterk de mannen er uitzien en zet het op een lopen.

Hieronder: handtekening van Caspar Retterich onder zijn verklaring.



Hieronder: Er liep een dijk vanuit Sluiskil tot aan Westdorpe. De negen bevinden zich die middag aan die dijk waar Retterich voorbijkomt.



Na het eten gaan Elegheer, Verburgh, Quicke en Hebbelinck bovenop de dijk zitten. Elegheer en Verburgh zonderen zich wat af en hebben een lang gesprek over hoe ze het gaan aanpakken. Hebbelinck hoort Elegheer zeggen: 'Het is van middag laag water, dan kunnen wij door het schorre gaan, en hoeven dan Sas van Gent niet te passeren, en dan zijn wij twee uur nader bij Vlaanderen'.



Ze zijn een ongeveer halfuur van het hoevetje verwijderd en spreken af er met zijn vieren naar toe te gaan, zonder iets te vertellen aan de anderen over wat ze van plan zijn. Ze hebben wel een lege zak nodig om het gestolene in op te bergen, en Hebbelinck vraagt aan Pieternella Munster om de zak die ze bijheeft leeg te maken. Ze vertellen aan de vrouwen dat ze nog eens bij een paar boeren willen langsgaan om wat brood en aardappelen en vragen hen om samen met Beeckman en Verlaere aan de dijk te wachten. Daarop vertrekken ze en dicht bij het hoevetje houden ze halt bij een smidse die nog maar pas gebouwd is. 

De diefstal.

Elegheer vraagt of één van de anderen kan langsgaan op het hoevetje om te controleren of de vrouw er nog is. Zelf is hij er die morgen al langsgegaan en de vrouw zou het kunnen verdacht vinden als hij nu opnieuw aan de deur staat. Die persoon moet indien de vrouw nog thuis is vragen of hij er zijn pijp mag opstoppen en dan terugkeren om hen te verwittigen. Quicke doet dit en is korte tijd later terug om te vertellen dat ze inderdaad nog thuis. Elegheer verklaart later dat Francis Verburgh daarop antwoordde dat hij niet bang was van die vrouw, dat je die gemakkelijk kon vastbinden, zodat ze hen niet kon achternagaan, en dat ze dan ondertussen gemakkelijk konden meennemen wat ze wilden. Quicke en Hebbelinck verklaren dat echter niet.

Elegheer denkt even na en vraagt dan aan Quicke om terug te gaan tot bij de vrouwen, en aan zijn vriendin te vragen om de aardappelen die zij nog bijheeft aan hem te geven en die dan mee te brengen. Het plan is dat er iemand met die aardappelen naar het huisje gaat en indien de vrouw er nog altijd is, haar te vragen of hij die er mag koken, en daarna zijn vrienden te roepen om ze samen op te eten. Dan zal er gelegenheid genoeg zijn om het één en ander te stelen. Na de terugkomst van Louis Quicke met de aardappelen gaat Verburgh ermee naar het hoevetje. Even later is hij terug met de boodschap dat de vrouw vertrokken is. Elegheer en Verburgh posteren Quicke en Hebbelinck aan weerszijden van de smidse om op uitkijk te staan en hen te komen verwittigen indien er iemand zou aankomen. Daarna spoeden ze zich naar het hoevetje.

Dat is in 1822 eigendom van de 58 jarige Abraham Dees. Hij woont er met zijn vrouw Elisabeth van der Hooft en zijn dochters Geertrui (21) en Wilhelmina (17). Hun andere kinderen zijn allemaal gehuwd of wonen elders. Abraham, Elisabeth, en Geertrui werken op de hoeve van Manilius. 

Hieronder: A de locatie van het hoevetje van Abraham Dees en S de smidse waar Quicke en Hebbelinck op de uitkijk stonden.



Hieronder: percelen kadaster 1832:
64: hoevetje van Abraham Dees (tot rond 1824)
63: tuin behorende tot het hoevetje
66: huis, smidse en schuur
65: beplante dijk
62: bouwland eigendom van Wasberghe-Boeye
67: bouwland eigendom van Carel Manilius



Het Vogelschorre is weinig veranderd sedert 1822. Het bestaat nog altijd voor het allergrootste deel uit landbouwgrond. De gebouwen bevinden zich nu nog altijd op dezelfde locaties als in 1822.
Dit is goed te zien op deze recente luchtfoto van het oude Vogelschorre.


Hieronder: Locatie van het hoevetje (links) en de smidse (rechts) uit 1822, op dit moment.









De vroegere dijk nu de Nieuw Vogelschorweg

Op het hoevetje merken Livinus Elegheer en Francis Verburgh dat het bovenste deel van de deur van het schuurtje openstaat en zo kunnen ze ook gemakkelijk het onderste deel ontgrendelen. Abraham Dees zal niettemin blijven volhouden dat ze het schuurtje binnengekomen zijn door aan de achterkant twee planken los te maken en zo een gat te maken in het achterliggend riet, waar ze konden doorkruipen. Zijn dochter Geertrui Dees verklaart echter dat het goed mogelijk is dat haar moeder vergeten heeft de deur af te sluiten. In ieder geval raken de twee gemakkelijk het schuurtje binnen.

Er staat tegen één van de muren een bed, met aan weerszijden daarvan een koffer. Elegheer ddorzoekt onmiddellijk het beddegoed, maar er is niets in of onder verborgen en hij neemt daarn de deken van het bed en stopt hem in de lege zak die ze bijhebben. In de ene koffer naast het bed bewaart Abraham Dees wat gereedschap en eetwaren, en in de andere die wat groter is, kledij. De beide koffers zijn met een slot afgesloten. Verburgh neemt een met ijzer beslagen spade die in het schuurtje ligt en vraagt aan Elegheer om de koffers stevig tegen de muur houden. Hij breekt ze daarna beide open, waarbij een stuk van de spade afbreekt. Daarna halen ze alles uit de koffers. Livinus Elegheer vindt twee Franse kronen die hij vlug wegstopt zonder dat Francis Verburgh het merkt. Hun buit bestaat verder uit:

- een zwarte, serge lankrok (een wollen lange vest, die tot juist boven de knieën kwam)
 - een nieuwe, bombazijnen lankrok (linnen met een inslag van katoen)
- een rood gebloemde, chitzen hemdrok (van katoen of linnen)
- een grijze, wollen kortrok zonder mouwen in slechte staat
- een korte, fluwelen (pane) broek zonder knopen
- een paar peper zoute sayette kousen (wollen)
- een rood gebloemde halsdoek
- een stuk blauw laken van 3 el 15 of 4 en een halve el oude maat
- een nieuwe katoenen gespikkelde slaapmuts
- een scheermes
- een hoorn gevuld met kruit
- een grauw linnen zakje met hagel
- een partij blauwe, rode en zwarte stop- en breisayette (breiwol)
- twee versleten zilveren broekstukken met een zwart lintje aan elkaar geknoopt

- een achtkantige tabaksdoos
- een partij van  ongeveer 3 pond spek en worst
- een pannetje met wat honing
- een kempen deken die op het bed lag in de schuur (deken van vlas of hennep)


Ze stoppen alles zo vlug mogelijk in de zak die ze bij hebben. Het pannetje met honing en de pot met spek en worst wikkelen ze eerst in de deken. Een oude hoed die ze ook uit een koffer hebben gehaald laten ze achter. De diefstal heeft niet meer dan een kwartier in beslag genomen. Terug bij Quicke en Hebbelinck gaan ze er zo vlug mogelijk vandoor. Verburgh draagt de zak met gestolen goed over zijn schouder. Om niet teveel op te vallen lopen ze beneden aan de buitenkant van de dijk. Wanneer ze bijna bij de vrouwen zijn gaat Quicke bovenop de dijk wat vooroplopen, zodat de achtergebleven vrouwen en twee mannen hem kunnen zien naderen. Hij doet al teken vanop een afstand en roept dat ze moeten rechtstaan en vertrekken. Pieternella Munster vindt het verdacht en zegt aan Constantia Depré dat ze denkt dat de 'gerechtsdienaar' hen achternazit.

Hieronder: Pieternella Munster vertelt hoe de mannen na de diefstal terugkwamen. Ze was de enige naast Louis Hebbelinck die had leren lezen en schrijven en haar verklaring kon ondertekenen.



Handtekening van Pieternella Munster onder verhoor door vrederechter Adrianus Jacobus Paulus

Aan het zuidelijk einde van de dijk van het Vogelschorre halen de 4 mannen de anderen weer in, waarna ze allen hun kousen en schoenen of klompen uitdoen en het schorre van het Sassche Gat oversteken. Onderweg vertelt Hebbelinck aan Constantia Depré over de diefstal. Ook de andere vrouwen worden op de hoogte gebracht van wat er gebeurd is, hoewel er achteraf discussie waar en wanneer dat plaatsvond. Alleen Beeckman blijft volhouden dat hij helemaal niet op de hoogte was van de inbraak.

Hieronder: Het is laag water in de namiddag en de negen steken het schorre over (blauwe lijn), waarna ze uitkomen aan de dijk tussen Sas van Gent en Philippine.




Die zaternamiddag zijn rond 16 uur twee mannen vertrokken op de zeedijk in Sas van Gent naar Philippine. Josephus Bral is 50 en visser, en Jacobus Heygelaer is 44 en schipper. Ze wonen beiden in het Sas van Gent, en kennen goed Constantia Depré die daar jaren heeft gewoond bij schaarslijper François Garaudel. Ze houden dan ook halt wanneer ze haar herkennen in de groep van tien om een praatje met haar te slaan. Josephus Bral herinnert zich later dat ze nogal gekscherend met elkaar hebben gepraat. De twee mannen kennen ook goed Bernard Van Laere, die nog altijd in Sas van Gent woont, en die als koewachter heeft gewerkt. Livinus Elegheer draagt op dat moment de zak met het gestolen goed. Deze ontmoeting zal later grote gevolgen hebben voor de negen.

Hieronder: Uit de verklaring van Josephus Bral geboren op 10 december 1771 in Zelzate



De mannen lopen verder onderaan de dijk en de vrouwen bovenop. Even later zien ze op de dijk twee mannen te paard aankomen. Elegheer denkt dat het maréchaussées zijn, raakt in paniek en wil de zak met gestolen goederen vlug verbergen in een veld met koolzaad waar ze juist aan voorbijkomen. Het is eind april en het koolzaad staat nog niet lang in in bloei. Verburgh is koeler en raadt hem dat af. De twee mannen blijken geen maréchaussées te zijn en rijden door.


Koolzaad in bloei

Een eind verderop vragen de 4 mannen aan de vrouwen, Beeckman en Van Laere om wat voorop te gaan. Lucia Olieux wil dit ook doen maar Livinus Elegheer roept haar terug en vraagt haar bij hen te blijven. De 4 mannen en Lucia gaan beneden aan de dijk bij een sluisje staan. Ze halen het gestolen goed uit om Elegheer zijn deel te geven. Hij krijgt de nieuwe, bombazijnen langrok of kazak, het zakje met hagel, de hoorn met kruit, de nieuwe blauw gespikkelde slaapmuts, een vierde deel van het blauwe laken, en een deel van het spek, de worst en honing. Lucia wikkelt alles in haar schort. Daarna halen ze de vijf anderen weer in. Quicke heeft het potje met honing vast en iedereen eet er van.

Elegheer vraagt daarna waar de anderen gaan slapen. Na overleg met Constantia Depré die de streek het beste kent antwoordt Verburgh, dicht bij de 'Maagd van Gent' op de hoeve van Pieter Versets, die twee schuren heeft. Daarop belooft Elegheer de volgende dag vroeg in de morgen naar die hofstede te komen om met hen verder te trekken. Hij slaat daarna met Lucia Olieux en Bernard Van Laere de richting in van Zelzate, waar ze tegen de avond aankomen. Lucia Olieux raakt de anderen daar die avond kwijt en slaapt alleen in het schuurtje van een arbeidershuisje. Ze trekt daarna op zondag 28 april alleen verder en loopt later die dag in Overslag, Livinus Elegheer weer tegen het lijf. Livinus vertelt Lucia dat Bernard Van Laere uit Zelzate alleen vertrokken is, waarschijnlijk terug naar Sas van Gent. Hij heeft niets gekregen van de goederen die de 4 mannen hebben gestolen en zal later ook niet worden opgespoord.

Hieronder: Overslag is een klein dorp deels op Belgisch grondgebied (als gehucht van Wachtebeke) en deels op Nederlands grondgebied.





Vanaf Overslag is het nog een twaalftal kilometer naar Eksaarde. Op het grondgebied van Wachtebeke komen ze een man tegen die rondloopt met sulfer (sulferstokjes). Elegheer raakt met hem in gesprek en biedt hem het gestolen goed aan. De man koopt alles aan voor één Franse kroon. Livinus trakteert met het geld Lucia op eten en drank in een herberg. Hij koopt er later ook nog een broek van voor zichzelf. Hij vertelt Lucia echter niet dat hij in het schuurtje van Abraham Dees ook al twee Franse kronen heeft buitgemaakt. Ze komen 's avonds aan in de Rechtstraat in Eksaarde, waar ze dicht bij elkaar wonen. 


Uit de verklaring van Lucia Olieux

De 7 anderen trekken na het afscheid van Livinus Elegheer, Lucia Olieux en Bernard Van Laere, verder door de Polder langs Posthoorn ten zuiden van Philippine in de richting van Maagd van Gent. Jacobus Beeckman draagt ook een tijdje de zak met overgebleven goederen. Wanneer hij Verburgh hoort praten tegen de anderen over het verdelen van de goederen onder hun drieën reageert hij met 'Zo ik krijg er dus niets van'. Verburgh antwoordt daarop 'Zeker niet' waarop Beeckman de zak laat vallen en zegt 'Dan wil ik hem ook niet dragen'. Verburgh vreest daarop dat Beeckman hen wel eens zou kunnen verraden en belooft hem twee frank van zijn deel van de opbrengst van de verkoop van de goederen en daarop beloven Louis Hebbelinck en Louis Quicke hetzelfde. Maar iets later overtuigt Quicke de twee anderen dat één frank meer dan genoeg is. 

Hieronder: De zeven trokken langs Posthoorn naar de streek van De Maagd van Gent, dat zijn naam ontleende aan de enige herberg die er vroeger stond.



Hieronder: De Maagd van Gent nu


Uit één der verhoren van Pieternella Munster 

Tegen de avond komen ze aan op de hoeve van Pieter Versets niet ver van de Maagd van Gent en krijgen toestemming om er in één van de twee schuren te slapen. Ze hebben onderweg nog wat aardappelen gekregen en eten die samen met het gestolen spek op. De worst moeten ze weggooien, want die is bedorven. Op zondagmorgen vertrekken ze allemaal samen westwaarts en bedelen op de hofstedes die ze tegenkomen. Ze komen rond 19.30 aan op de hoeve 'De Zwarte Sluis' waar ze de vorige woensdag 24 april ook al hebben overnacht. Ze mogen er opnieuw slapen in de schuur.

Ze hebben ondertussen een aantal zaken van de gestolen buit verdeeld. Zo heeft Verburgh de wollen kousen aangetrokken en ook de rode halsdoek en rood gebloemde hemdrok gehouden. Louis Hebbelinck heeft de kempen deken van het bed gekregen en slaapt er onder met Constantia Depré. Francis Verburgh maakt zich zorgen over de overige gestolen spullen die ze nog bij zich hebben in de zak, en vraagt zich af wat ze er mee moeten aanvangen. Theresia Samay antwoordt daarop dat ze in Brugge heel wat oude kleerkopers en zilversmeden kent en dat ze daar de goederen wel kunnen verkopen. Ze spreken af dat Francis Verburgh, Louis Quicke, Louis Hebbelinck en zijzelf die nacht nog zullen vertrekken naar Brugge om daar vroeg aan te komen, de goederen te verkopen en dan terug te keren naar Pieternella Munster, Constantia Depré en Jacobus Beeckman. Quicke heeft Theresia Samay ondertussen ook beloofd met zijn deel van de opbrengst wat goederen die ze in Brugge heeft verpand weer vrij te kopen. 

De vier vertrekken 's nachts rond 1 uur. Het is ongeveer 25 km lopen vanaf de Zwarte Sluis tot Brugge. Door de duisternis kunnen ze niet vlug wandelen en ze komen rond 5.30 uur 's morgens aan in Brugge. Ze gaan eerst naar de Korte Baliestraat 3 (nu Baliestraat), waar Carolina Jacobs, de moeder van Louis Quicke op de zolderkamer woont bij stoeldraaier Michiel van Tuyckom (27) en zijn vrouw Maria Laforce (28) vlak voor de Sint-Gilliskerk.

Hieronder: De Baliestraat die begint ter hoogte van de Sint-Gilliskerk. Aan de zijkant van de kerk ligt het Sint-Gilliskerkhof. Er is sedert de zomer van 1784 niemand meer begraven. Het decreet van keizer Jozef II op datum van 17 juli 1784 verbiedt namelijk dat er vanaf dan nog mensen begraven worden in kapellen, kerken en op kerkhoven binnen de stad. De kerk zelf wordt tussen 1873 en 1905 volledig gerestaureerd.



Alleen Quicke en Hebbelinck kloppen aan bij stoeldraaier Michiel van Tuyckom. Verburgh en Theresia Samay gaan direct naar het huis van Petronella Seghers, oude kleerkoopster, die vlakbij woont in de Sint Gilliskerkhofstraat 7. In de Baliestraat 3 slapen Michiel van Tuyckom en zijn vrouw nog. Carolina Jacobs is al op en zij opent de deur wanneer ze het aanhoudend geklop hoort.

Uit haar verklaring:
Dat zij zich herinnert dat op de 29e april laatsleden om zes uur 's morgens er geklopt werd aan de deur van haar woonst, waarna zij opende en zag dat het haar zoon Louis Quicke was, vergezeld van een andere persoon, kort van gestalte, die ze niet kende en beiden met de kledij van het Atelier of Bedelaars werkhuis in Brugge. Dat zij wetende dat haar zoon uit dat huis was ontsnapt, hem vroeg waar hij was geweest, en dat hij toen zei dat hij op verscheidene plaatsen, die hij niet kon opnoemen, was geweest in het land van Cadzand, en dat indien ze geld hadden gehad ze waren overgestoken, omdat ze zeker waren dat ze daar werk zouden vinden.

Wanneer Louis vertelt dat hij alleen maar langskomt om wat geld te krijgen, laat ze de twee binnen in haar kamer en vertrekt daarna naar het huis van haar stiefdochter Joanna Catharina Quicke. Die is 15 jaar ouder dan Louis en een dochter van Dominicus Quicke en zijn eerste vrouw Catharina Dubois die al in 1794 overleed. Ze is twee jaar daarvoor in april 1820 gehuwd met Philippus Jacobus Casteleyn, koperslager en 14 jaar jonger dan haar. Ze wonen maar iets verderop in de Langerei. Ze liggen nog in bed wanneer Carolina Jacobs aanklopt. Ze vertelt dat Louis Quicke terug is en vraagt wat geld voor hem. Philip Casteleyn antwoordt daarop dat hij beter in het atelier was gebleven. Joanna Quicke kleedt haar aan en gaat haar jonger halfbroer opzoeken in de zolderkamer van Carolina Jacobs. Ze komt na een tijdje terug en vertelt dat Louis gevraagd heeft of Philip hem één van zijn broeken zou kunnen geven of een nieuwe voor hem kopen. Philip verlaat later in de voormiddag zijn huis en neemt een broek mee.

Ondertussen zijn Francis Verburgh en Theresia Samay op pad om de gestolen goederen te verkopen. Ze staan dus al heel vroeg rond 6.15 uur aan de deur van Petronella Seghers. Die doet open en laat de twee binnen. Ze bieden haar het stuk blauw laken en de korte fluwelen broek te koop aan. Pieternelle meet het laken en komt op ongeveer 4 el uit. Wanneer ze Theresia en Francis vraagt hoeveel ze willen voor het laken en de broek vindt ze de prijs zo laag dat ze vermoedt dat het wel eens om gestolen goederen zou kunnen gaan en weigert ze aan te kopen. Bovendien kent ze de twee ook niet. Francis Verburgh probeert haar nog te overtuigen door te zeggen dat ze hun namen willen geven, maar Petronella Seghers gaat daar niet op in en Francis en Theresia moeten onverrichter zake weer vertrekken.

Theresia kent nog andere oude kleerkopers en het volgende adres dat ze aandoen is in de Sterrestraat 4. Daar wonen Franciscus Bernardus Vandenhauwe en zijn vrouw Joanna Theresia Hilderson. Francis is 26 en slotenmaker en oud ijzer handelaar, en Joanna is 23 en koopt en verkoopt oude kledij. Ze is de dochter van kleermaker Joannes Hilderson. Ze is al voordien gehuwd geweest met Joannes Vandenbroucke, maar die overlijdt al 2 jaar na hun huwelijk.

Hieronder: Joanna Hilderson getuigt over de gebeurtenissen op maandag 29 april.


Francis en Theresia kloppen ergens tussen 7.30 en 8 uur aan bij het echtpaar. Dienstmeid Maria Spanier opent de deur. Nadat Francis en Theresia haar vertellen waar ze voor langskomen laat ze hen binnen in de slaapkamer van Francis en Joanna, die nog in bed ligggen. Joanna kent Theresia Samay redelijk goed, want die is daar al een paar keer langs geweest om kledij te verkopen en ze weet dat ze niet ver daar vandaan in het Schrijversstraatje nimmer 3 woont. Theresia haalt het blauw laken en de fluwelen (in het Brugs pane) broek uit het handdoekje waarin die gewikkeld zijn en biedt ze te koop aan. Ze vertelt dat ze die gekregen heeft van een dienstbode op een hofstede in het land van Cadzand, waar zij zelf ook gewerkt heeft, en dat die haar gevraagd heeft of ze die voor hem in Brugge kan verkopen, en een briefje meebrengen van de verkoop, met het bedrag erop dat ze er voor gekregen heeft. Ze verzekert Joanna Hilderson dat alles in orde is, dat ze zeker geen achterdocht moet hebben en dat ze zelf ook een briefje wil tekenen waarop haar naam staat (dat zou dan een kruisje moeten zijn want Theresia Samay was ongeletterd). Verder haalt ze nog aan dat ze bekend is in de buurt, en dat ook Pieternelle Seghers, waar ze nu juist vandaan komen al diverse keren goederen van haar heeft gekocht. (Die verklaart later wel dat ze Theresia Samay niet kende). Joanna Hilderson antwoordt daarop dat ze zeker is dat alles in orde is en dat het niet nodig is een briefje te schrijven. Ze bekijkt daarop het laken en de broek en komt overeen met Theresia om die te kopen voor 20 frank.

Francis Verburgh toont haar daarop de gestolen wollen kortrok zonder mouwen en krijgt er na enige discussie één farnk voor. Hij koopt daarna een linnen broek, die al redelijk versleten is, voor zestien en een halve stuivers. Hij trekt de broek aan en laat diegene die hij aanhad daar achter, en krijgt er drie oortjes voor (vier oortjes waren een stuiver waard). Een half uur later komt Theresia Samay nog eens terug en koopt een schort voor 2 stuivers. Ze vraagt aan Joanna om die voormiddag nog langs te komen met wat oude mannenkledij naar de Baliestraat 3, bij Carolina Jacobs. Ze vertelt dat ze daar is die dag en dat er zich daar ook enkele mannen bevinden die willen gaan werken in het land van Cadzand, en daarvoor wat werkkledij nodig hebben. Wanneer Joanna na het vertrek van Theresia wat broeken en vesten begint uit te zoeken komt kleermaker Pieter de Smedt binnen, die in de Carmersstraat woont, en regelmatig wat kleren voor haar verstelt. Ze vertelt dat ze juist een stuk blauw laken heeft gekocht van 4 el en vraagt aan Pieter of hij er twee broekjes uit zou kunnen maken. Deze meet het laken en stelt vast dat het maar om 3 el en een half vierendeel gaat (ongeveer 2,20 meter ipv 2,80.) Joanna denkt dat Theresia Samay haar bedrogen heeft en is vastbesloten haar daarmee te confronteren wanneer ze langsgaat met de kledij.

Francis en Theresia gaan na de verkoop bij Joanna Hilderson terug naar de Baliestraat waar Verburgh, Quicke en Hebbelinck het geld onder elkaar verdelen. Ze hebben nu nog de twee zilveren broekstukken die ze willen . Ze gaan op pad om die nu te verkopen.

Hieronder: Zeeuwse kledij met zilveren broekstukken.




De eerste drie zilversmeden waar ze langs gaan zijn niet geïnteresseerd in de broekstukken. De vierde is zilversmid Pieter Naert in de Steenstraat 48. De meid laat hen binnen en gaat daarna Maria Allaert, de vrouw van Pieter roepen. Ze is 50 en weet evenveel van zilver af als haar man. Theresia Samay doet weer hetzelfde verhaal over een boereknecht uit Zeeland, waarvoor ze die moet verkopen omdat ze ver versleten zijn. Ze vraagt daarop aan Maria Allaert of ze geïnteresseerd is om ze aan te kopen en wat ze er voor zou kunnen geven. Maria antwoordt dat het slecht zilver is en dat ze er elf permissie schellingen kan voor geven. Ze wil het zilver wel eerst nog toetsen en wegen en zakt dan naar 10 permissie schellingen, waarmee Theresia Samay akkoord gaat. Voor ze het geld geeft vraagt ze aan Theresia haar naam en adres en schrijft die in in haar register. Francis Verburgh zegt ondertussen geen woord, en omdat Theresia Samay het geld krijgt, vraagt ze niet naar de naam van Verburgh. Ze voegt er nog aan toe dat indien de persoon voor wie ze de broekstukken moet verkopen niet tevreden is met de verkregen prijs, de broekstukken terug afgehaald  kunnen worden binnen de 8 dagen, mits teruggave van de door haar betaalde som geld.

Hieronder: De Steenstraat waar Pieter Naert en Maria Allaert woonden was één van de oudste straten van Brugge en is altijd een belangrijke winkel- en handelsstraat geweest.


Maria Allaert overlijdt eind maart 1824 in haar huis in de Steenstraat. Pieter Naert blijft werken en verkopen als zilversmid in de Steenstraat tot eind 1842. Hij is dan 84. Op 16 januari 1843 is er een uitverkoop van zijn meubilair, werktuigen en voorraad. Hij overlijdt twee jaar later op 12 maart 1845.


Theresia en Francis keren daarop terug naar de Baliestraat 3. Het is ondertussen druk op de kamer van Carolina Jacobs. Michiel van Tuyckom is na het opstaan aan het werk gegaan in zijn atelier achteraan het huis. Hij heeft van daar Francis en Theresia zien binnenkomen gaat wat later ook naar boven om eens goeiedag te zeggen aan Louis Quicke, die voor hij werd opgesloten in het bedelaarshuis ook bij hem woonde.

Hieronder: Atelier van een stoelmaker of stoeldraaier in de 18e eeuw. De werkplaats van Michiel van Tuyckom zal er in 1822 nog ongveer hetzelfde uitgezien hebben.


Ook Philip Casteleyn de schoonbroer van Louis Quicke komt toe en heeft een blauwe broek mee voor hem. Hij neemt plaats achteraan in de kamer waar hij in gesprek geraakt met Michiel van Tuyckom. Ze zien beiden wel hoe Verburgh, Quicke en Hebbelinck aan tafel geld onder elkaar verdelen. Er is ook nog iemand van de Dely-familie komen opdagen (zie eerder in dit bericht onder Francis Verburgh). De mannen hebben ondertussen Maria Laforce, de vrouw van Van Tuyckom met wat geld van de verkoop van de kledij achter een fles jenever gezonden en zijn borrels aan het drinken. Francis Verbugh heeft ondertussen ook de gebloemde hemdrok die hij ook voor zijn deel had gekregen geruild met Michiel van Tuyckom voor een vestje. Francis Verburgh en Louis Hebbelinck zenden Maria Laforce ook om een vrouwenhemd dat ze respectievelijk aan hun lief Pieternella Munster en Constantia Depré als geschenk willen geven. Ze betaalt 14 stuivers per hemd. Louis Hebbelinck laat haar ook nog een paar schoenen voor Constantia kopen

Om 11 uur komt ook Joanna Hilderson toe op de zolderkamer. Ze heeft de oude kledij mee waarnaar werd gevraagd. Louis Quicke koopt een zwart vestje en Hebbelynck een ondervestje. Joanna neemt daarna Theresia Samay mee naar de overloop buiten de kamer, waar ze haar confronteert met het feit dat het laken geen 4 el mat en dat ze zich bedrogen voelt, De mannen komen ook deelnemen aan de discussie en Verburgh en Samay blijven volhouden dat Pieternelle Seghers het stuk laken gemeten heeft op 4 el. Joanna Hilderson is echter niet van plan het op te geven en krijgt uiteindelijk van elk van de 3 mannen één frank terug. De discussie is daarmee niet volledig afgesloten want Joanna Hilderson en Theresia Samay verlaten daarop het huis en begeven zich naar de woning van Pieternelle Seghers. Joanna Hilderson neemt daar het woord en wanneer Pieternelle Seghers bevestigt dat zij inderdaad het laken heeft gemeten  en het langer heeft bevonden dan de kleermaker Pieter de Smedt, komt Joanna tot de conclusie dat de 'el' waarmee Pieternelle Seghers meet niet juist is. Wanneer ze ook nog vertelt aan Pieternelle Seghers dat ze het laken heeft gekocht voor twintig frank, antwoordt die dat ze er een goede koop mee heeft gedaan en dat ze er 'een brood aan zal verdienen'.

Het is ondertussen bijna middag. Michiel van Tuyckom en Philip Casteleyn zijn al vertrokken om in de buurt samen en paar 'dreupels' te drinken. Carolina Jacobs heeft van Verburgh wat geld gekregen om boter en zoute vis te gaan kopen. Ze maakt die na haar terugkomst klaar voor de drie mannen en Theresia Samay, samen  met wat aardappelen. Philip Casteleyn heeft na de discussie met Joanna Hilderson waar van hij getuige was, een vermoeden gekregen dat er toch iets verdachts aan de gang is en heeft bij zijn vertrek aan zijn schoonbroer gevraagd om na de middag even bij hem langs te komen. Louis Quicke doet dat en Philip maant hem aan de anderen de anderen te doen vertrekken en waarschuwt hem dat als hij dit niet doet het wel eens slecht zou kunnen aflopen. Louis belooft dat hij in Brugge zal blijven. Zijn moeder heeft hem al gevraagd terug te gaan naar het Atelier. Louis stemt daar eerst mee in maar ziet er dan toch van af, omdat hij niet weet hoe lang ze er hem nog zullen vasthouden.

Hij gaat zich uiteindelijk niet zelf aangeven, maar op woensdag 1 mei wordt hij bij zijn moeder opgepakt en teruggebracht naar het bedelaarshuis. Zijn moeder Carolina Jacobs overlijdt 25 jaar later op 22 november 1847 in het Oud Sint-Janshospitaal in de Mariastraat. Ze woont dan in de biddersstraat.

Hieronder: Uit de Gazette van Brugge van 24 november 1847



Rond 13.30 verlaten Francis Verburgh, Louis Hebbelinck de zolderkamer van Carolina Jacobs. Van het beloofde vrijkopen van de verpande goederen van Theresia Samay door Louis Quicke is niets in huis gekomen. Ze besluit om samen met de twee mannen ook weer Brugge te verlaten. Ze hebben tegen de avond in Heille afgesproken met Pieternella Munster en Constantia Depré. Ze hebben nog tijd genoeg en geld in hun zakken en bezoeken een paar herbergen. Theresia Samay gaat nog eens langs bij Joanna Hilderson om te vragen of ze ook mannenhemden te koop heeft. Die moet ontkennend antwoorden. Laat in de namiddag verlaten de drie Brugge.

s' Morgens zijn Pieternella Munster, Constantia Depré en Jacobus Beeckman ondertussen vertrokken vanop de hoeve De Zwarte Sluis. Ze hebben met de anderen afgesproken om op maandagavond elkaar terug te zien en te slapen op een hoeve van Versprille in Heille. Die heeft echter geen plaats voor hen. Ze kunnen wel terecht op de hoeve die eigendom is van Johannes Bernardus van Eeckhout, burgemeester van Eede. Pieternella Munster en Constantia Depré vertrekken daarna naar Sluis waar Pieternelle woont. Ze gaan tegen de avond de mannen en Theresia Samay vanuit Sluis tegemoet Het is al 11 uur wanneer ze elkaar tegenkomen. De drie zijn onderweg nog één of meerdere keren gestopt om een borrel te drinken en de mannen zijn dronken. Ze hebben ook zo goed als al hun geld van de opbrengst van de gestolen goederen erdoor gejaagd. Ze gaan daarna samen verder naar de hoeve waar Beeckman op hen wacht.


Op dinsdagmorgen 30 april vertrekken ze opnieuw op bedeltocht. De nacht van 30 april op 1 mei is Walpurgisnacht, de feestnacht van de heksen. Maar die avond en nacht worden er ook vreugdevuren ontstoken en liedjes gezongen over de lente die begonnen is. Ook de zes gaan zingen. Verburgh en Hebbelinck krijgen die nacht ruzie met Theresia Samay en jagen haar weg.  De dagen erna trekken de anderen verder. De oudere Beeckman blijft de twee jonge koppeltjes voorlopig nog vergezellen. Ze blijven de dagen erna rondlopen en bedelen in de streek rond IJzendijke en in het land van Cadzand. Ze horen in die periode spreken over een groot havenwerk dat wordt uitgevoerd in Alkmaar en dat er nog volop achter extra werkmannen worden gezocht daarvoor.Verburgh en Hebbelinck zien dat wel zitten maar ze hebben geen geld om de oversteek naar Alkmaar te betalen.

Hieronder: Uit een verklaring van Louis Hebbelinck


Het groot werk waar hij het over heeft is de aanleg van het Noordhollandsch kanaal. Omdat de bevaarbaarheid van de Zuiderzee met de jaren afnam en Amsterdam zo steeds moeilijker bereikbaar werd voor zeeschepen gaf koning Willem I in 1816 opdracht een plan uit te werken voor een kanaal van Den Helder (via Alkmaar) tot Amsterdam. Er werd eerst gedacht aan een kanaal  voor binnenvaartschepen maar 3 jaar later sloten de koning en de hoofdstad een akkoord om het kanaal dieper en breder te maken zodat ook zeeschepen het konden bevaren. Er werd met het werk begonnen in 1819. Bestaande rivieren en ringvaarten werden aangepast om deel uit te maken van het nieuwe kanaal. In april 1822 waren de werken al drie jaar onderweg. Maar er was nog werk genoeg voor een paar jaar. Er waren continu tussen de 9000 tot 10.000 onderbetaalde arbeiders aan het werk met schoppen en kruiwagens. De aannemers moesten zorgen voor de behuizing van de arbeiders maar vaak moesten die slapen in zelfgemaakte bouwsels. Het kwam dan ook geregeld tot opstanden en de regering moest er militairen stationeren om de orde te bewaren. Eind mei 1823 werd aannemer Heuskes door arbeiders doodgeschoten. 

Hieronder: Het kanaal moest van Den Helder (1) via Alkmaar (2) tot aan Amsterdam lopen (3)


Een achttal dagen later bevinden ze zich op 8 mei in Den Hoek, niet zo heel ver van het Vogelschorre waar ze de diefstal hebben gepleegd. Francis Verburgh gaat daar langs bij een schoenmaker voor een kleine herstelling en die vertelt dat ze moeten oppassen indien ze geen papieren hebben. Er wordt in de streek nog volop gezocht naar de daders van de diefstal op 27 april bij Abraham Dees en iedereen zonder geldige papieren wordt opgepakt. Verburgh en Hebbelinck besluiten om de streek vlug te verlaten en oostwaarts te trekken. Beeckman ziet dat niet zitten en laat hen alleen verder gaan. Op donderdag 9 mei komen ze met zijn vieren aan in Zaamslag. Onderweg zijn ze nog een man tegengkomen met een jongentje van een jaar of zes. De man is pas vervroegd vrijgekomen in Middelburg. 

Ze mogen die nacht in de schuur van een hofstede in Zaamslag slapen, maar rond middernacht worden ze opgepakt door de veldwachter die vergezeld is van een vijftiental schutters. Pieternella Munster, Constantia Depré en de man met het kleine jongentje worden s'morgens weer vrijgelaten. Constantia neemt de kempen deken mee waaronder ze sedert de diefstal met Hebbelinck heeft geslapen. De twee vrouwen verlaten daarop Zaamslag. Verburgh en Hebbelinck worden op vrijdag 10 mei overgebracht naar Axel, de hoofdstad van het kanton, waar ze zullen ondervraagd worden door vrederechter Paulus.

Hieronder: Den Hoek waar de vijf op 8 mei voorbijkomen, Zaamslag waar ze opgepakt worden en Axel waarnaar Francis Verburtgh en Louis Hebbelinck overgebracht worden.


In het derde deel zien we hoe het gerechtelijk onderzoek verloopt en hoe de 9 worden opgepakt en beschuldigd van de diefstal.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen